Socialezekerheidsrecht
Het bezwaar tegen het besluit van 22 april 2015 is niet-ontvankelijk verklaard omdat niet tijdig was. Geen…
Centrale Raad van Beroep, 1 juni 2022
ECLI:NL:CRVB:2022:1563 · Centrale Raad van Beroep · 1 juni 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2022-1563
Zaakgegevens
Op 1 juni 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 juni 2022
- Datum publicatie
- 14 juli 2022
- Zaaknummer
- 20/3953 AWBZ-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2022:1563
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het bezwaar tegen het besluit van 22 april 2015 is niet-ontvankelijk verklaard omdat niet tijdig was. Geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. Het hoger beroep slaagt niet.
Uitspraak
20 3953 AWBZ-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 oktober 2020, 19/2790 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
VGZ Zorgkantoor B.V. (zorgkantoor)
Datum uitspraak: 1 juni 2022
Zitting heeft: J. Brand
Griffier: M.E. van Donk
Ter zitting zijn verschenen: mr. M.E. Glaap (namens het zorgkantoor)
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Aan appellant is op grond van de Regeling subsidies AWBZ voor het jaar 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend. Het zorgkantoor heeft bij besluit van 22 april 2015 het pgb voor 2014 vastgesteld op nihil en van appellant een bedrag van € 24.315,35 teruggevorderd.
Appellant heeft op 16 augustus 2019 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 april 2015. Bij besluit van 8 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 22 april 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft niet binnen de termijn van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar gemaakt en er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellant heeft zich beperkt tot het herhalen van de in beroep aangevoerde gronden.
De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) M.E. van Donk (getekend) J. Brand
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep