Socialezekerheidsrecht
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 23…
Centrale Raad van Beroep, 13 januari 2022
ECLI:NL:CRVB:2022:172 · Centrale Raad van Beroep · 13 januari 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2022-172
Zaakgegevens
Op 13 januari 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 januari 2022
- Datum publicatie
- 26 januari 2022
- Zaaknummer
- 20/1832 WAO
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2022:172
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 maart 2021 geheel aan de bezwaren is tegemoetgekomen. Bij de intrekking heeft appellant verzocht de proceskosten in beroep en hoger beroep te vergoeden. De reiskosten die appellant heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank, komen tot een bedrag van € 27,20 voor vergoeding in aanmerking. Met betrekking tot de op het formulier proceskosten op gevoerde kosten voor verschotten overweegt de Raad dat de kosten niet nader zijn onderbouwd zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.
Uitspraak
Datum uitspraak: 13 januari 2022
20/1832 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
7 april 2020, 19/402 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 19 augustus 2020 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 23 maart 2021 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 maart 2021 geheel aan de bezwaren is tegemoetgekomen. Bij de intrekking heeft appellant verzocht de proceskosten in beroep en hoger beroep te vergoeden.
De reiskosten die appellant heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank, komen tot een bedrag van € 27,20 voor vergoeding in aanmerking.
Met betrekking tot de op het formulier proceskosten op gevoerde kosten voor verschotten overweegt de Raad dat de kosten niet nader zijn onderbouwd zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 27,20.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van
H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2022.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) H. Alajai
GdJ