Socialezekerheidsrecht

Bij aangetekende brief van 26 november 2021 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden de hoger…

Centrale Raad van Beroep, 27 januari 2022

Zaakgegevens

Op 27 januari 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27 januari 2022
Datum publicatie
27 januari 2022
Zaaknummer
21/3351 WSFBSF
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2022:198
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bij aangetekende brief van 26 november 2021 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden de hoger beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellant erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg zal hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld. Appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Uitspraak

Datum uitspraak: 27 januari 2022

21/3351 WSFBSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2021, 20/6744 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Wiersma-Helal, advocaat hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Het ingediende hogerberoepschrift bevat geen gronden.

Bij brief van 28 september 2021 is de gemachtigde van appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.

Bij brief van 25 oktober 2021 heeft de gemachtigde zich onttrokken van de procedure.

Bij brief van 26 oktober 2021 is appellant de brief van 25 oktober 2021 toegezonden en aan hem gevraagd of hij de procedure wenst voort te zetten en zo ja, of hij binnen vier weken alsnog de gronden van het hoger beroep wilt indienen.

Appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.

Bij aangetekende brief van 26 november 2021 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden de hoger beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellant erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg zal hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.

Appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.

Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2022.

(getekend) H. Benek

(getekend) E. Blijleven-de Vries

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.