Socialezekerheidsrecht

Buiten behandelingstelling en afwijzing aanvragen bijzondere bijstand. Appellante voerde een gezamenlijke…

Centrale Raad van Beroep, 22 november 2022

Zaakgegevens

Op 22 november 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22 november 2022
Datum publicatie
29 november 2022
Zaaknummer
21 / 4332 PW-PV
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2022:2568
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Buiten behandelingstelling en afwijzing aanvragen bijzondere bijstand.

Appellante voerde een gezamenlijke huishouding met X. Dit betekent dat voor beide aanvragen de inkomensgegevens van X relevant zijn om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Appellante heeft voor beide aanvragen geen gegevens van X overgelegd, ook niet nadat haar een hersteltermijn was geboden.

Uitspraak

21 4332 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 november 2021, 21/544 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

Datum uitspraak: 22 november 2022

Zitting heeft: M. Hillen

Griffier: B. Beerens

Ter zitting is appellante niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.N. van Dijk.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellante heeft op 30 januari 2020 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van rechtsbijstand en op 11 februari 2020 voor de kosten van bewindvoering. De aanvraag van

30 januari 2020 heeft het college op 12 mei 2020 buiten behandeling gesteld en de aanvraag van 11 februari 2020 heeft het college op 15 april 2020 afgewezen.

Bij besluit van 22 januari 2021 heeft het college de bezwaren tegen die twee besluiten ongegrond verklaard. Het college legt daaraan ten grondslag dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met X, omdat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden, in die zin dat appellante en X in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvragen van bijstand voor de verlening daarvan als gehuwden zijn aangemerkt en zij hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dit betekent dat voor beide aanvragen de inkomensgegevens van X relevant zijn om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Nu appellante voor beide aanvragen geen gegevens van X heeft overgelegd, ook niet nadat haar een hersteltermijn was geboden, is de aanvraag van 30 januari 2020 terecht buiten behandeling gelaten en de aanvraag van 11 februari 2020 terecht afgewezen.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 22 januari 2021 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat is komen vast te staan dat appellante en X in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres. Verder staat vast dat het college ter zake van de eerdere aanvraag om bijzondere bijstand heeft vastgesteld dat zij een gezamenlijke huishouding voerden. Dat was binnen een periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag van 11 februari 2020. Aldus wordt onweerlegbaar een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht. Anders dan appellante stelt, hoefde het college niet opnieuw te onderzoeken of zij met X een gezamenlijke huishouding voerde. Omdat de gegevens van X niet zijn verstrekt, heeft het college volgens de rechtbank terecht geconcludeerd dat het recht op bijzondere bijstand niet kan worden vastgesteld. De aanvraag is terecht afgewezen.

Met betrekking tot de aanvraag van 30 januari 2020 heeft het college op 25 maart 2020 en 9 april 2020 inkomensgegevens over X opgevraagd en appellante erop gewezen dat als die gegevens niet worden verstrekt dat tot buitenbehandeling stelling van de aanvraag kan leiden. Appellante heeft die gegevens niet of niet tijdig ingeleverd. Omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding zijn die gegevens van belang voor de beoordeling van het recht op bijstand. De aanvraag is terecht buiten behandeling gesteld.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in wezen gelijk aan de gronden in beroep. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom die gemotiveerde weerlegging onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel rust. De Raad voegt daar nog aan toe dat het feit dat appellante redelijkerwijs niet over de gevraagde stukken kon beschikken, omdat X heeft geweigerd daaraan medewerking te verlenen, nog los van het feit dat zij deze stelling niet heeft onderbouwd, voor haar rekening en risico dient te komen.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding bestaat.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) B. Beerens (getekend) M. Hillen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.