Socialezekerheidsrecht

Namens appellanten is het hoger beroep ingetrokken omdat het college aan de bezwaren van appellanten tegemoet…

Centrale Raad van Beroep, 1 maart 2022

Zaakgegevens

Op 1 maart 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
1 maart 2022
Datum publicatie
2 maart 2022
Zaaknummer
18/3324 PW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2022:405
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Namens appellanten is het hoger beroep ingetrokken omdat het college aan de bezwaren van appellanten tegemoet is gekomen. Proceskostenveroordeling.

Uitspraak

Datum uitspraak: 22 februari 2022

18/3324 PW, 18/3325 PW, 18/3326 PW, 18/3327 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

7 juni 2018, 18/280, 18/281, 18/282 en 18/1015 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene 1] en [betrokkene 2] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brieven van 21 oktober 2021 heeft het college een nieuwe draagkrachtberekening gemaakt.

Bij brief van 28 oktober 2021 heeft mr. Driessen namens appellanten het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.

Het college heeft hierop geen reactie ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Namens appellanten is het hoger beroep ingetrokken omdat het college bij brieven van

21 oktober 2021 aan de bezwaren van appellanten tegemoet is gekomen.

De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten die appellanten in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.670,- in bezwaar, € 2.277,- in beroep en € 1.138,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kunnen appellanten zich rechtstreeks tot het college wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 6.085,50.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2022.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) K.R. van Renswoude