Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep · Hoger beroep · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 6 juni 2023
ECLI:NL:CRVB:2023:1048 · Centrale Raad van Beroep · 6 juni 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2023-1048
Zaakgegevens
Op 6 juni 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 juni 2023
- Datum publicatie
- 6 juni 2023
- Zaaknummer
- 22/2794 PW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2023:1048
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Proceskostenveroordeling.
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 9 februari 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:1203Rechtbank Rotterdam · 18 februari 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:1151Centrale Raad van Beroep · 6 juni 2023
ECLI:NL:CRVB:2023:1047Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg · Meerdere afhandelingswijzen
Centrale Raad van Beroep · 6 juni 2023deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2023:1048
Overig
Uitspraak
22 2794 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 februari 2022, 21/5002 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 6 juni 2023
PROCESVERLOOP
Het college heeft met een besluit van 1 april 2021 beslist dat hij geen dwangsom aan betrokkene hoeft te betalen en dit besluit na bezwaar van betrokkene gehandhaafd met een besluit van 11 augustus 2021. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep daartegen gegrond verklaard en bepaald dat het college een dwangsom van € 1.442,- moet betalen en aan betrokkene het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden.
Het college heeft hoger beroep ingesteld voor zover de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard.
Betrokkene heeft een zienswijze ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2023. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Breure. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.G. Schroeder, advocaat.
OVERWEGINGEN
Tijdens de behandeling van het hoger beroep ter zitting heeft het college het hoger beroep ingetrokken.
Artikel 8:118, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Betrokkene heeft een verzoek gedaan om veroordeling van het college tot vergoeding van zijn proceskosten.
Wat hiervoor is overwogen is aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.674,- (2 punten) voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en C.E.M. Marsé en J.E. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2023.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) C.G. van Straalen