Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep · Hoger beroep · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 21 juni 2023
ECLI:NL:CRVB:2023:1125 · Centrale Raad van Beroep · 21 juni 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2023-1125
Zaakgegevens
Op 21 juni 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 juni 2023
- Datum publicatie
- 22 juni 2023
- Zaaknummer
- 22/1049 MAW-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2023:1125
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet ongegrond.
Procesgang
Centrale Raad van Beroep · 21 juni 2023deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2023:1125
Hoge Raad · 5 april 2024
ECLI:NL:HR:2024:534
Uitspraak
Datum uitspraak: 21 juni 2023
22/1049 MAW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 maart 2022, 20/3885 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Staatssecretaris van Defensie (Staatssecretaris)
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 17 januari 2023 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 10 mei 2023. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 17 januari 2023 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 8 april 2022 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellante, samengevat weergegeven, te kennen gegeven dat zij niet in verzuim is geweest. Appellante heeft het griffierecht niet betaald omdat het heffen van griffierecht in strijd is met onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder voert appellante onder andere aan dat haar financiële gegevens zijn vervalst en verduisterd.
In eerdere uitspraken van de Raad is op deze argumenten uitgebreid gereageerd. De gronden die appellante in verzet aanvoert zijn een herhaling van de argumenten die zij eerder heeft aangevoerd. De Raad heeft in die uitspraken geoordeeld dat de regeling in het bestuursrecht over de mogelijkheden om vrijstelling van betaling van het griffierecht te krijgen van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Er is geen aanleiding om daar thans anders over te denken. Als appellante feitelijk minder inkomen ontvangt dan op papier staat, had het op de weg van appellante gelegen om dat bij de Raad aannemelijk te maken. Verder zijn er geen inkomensgegevens overgelegd waarop de Raad zou kunnen concluderen dat appellante recht had op vrijstelling van het griffierecht. Daarbij had appellante dan wel een beroep op vrijstelling van het griffierecht moeten doen. Dat heeft appellante om haar moverende redenen niet gedaan.
De Raad is van oordeel dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest. Appellante is in de nota van 8 april 2022, waarin zij werd gewezen op het betalen van griffierecht, gewezen op de mogelijkheid om een beroep op betalingsonmacht te doen. Deze mogelijkheid heeft appellante ongebruikt gelaten.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2023.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) L. Winters