Socialezekerheidsrecht

Verzet niet-ontvankelijk. De bewindvoerder van appellant heeft geen toestemming heeft gegeven voor het voeren…

Centrale Raad van Beroep, 6 januari 2023

Zaakgegevens

Op 6 januari 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
6 januari 2023
Datum publicatie
6 januari 2023
Zaaknummer
20 / 146 WLZ
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2023:12
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzet niet-ontvankelijk. De bewindvoerder van appellant heeft geen toestemming heeft gegeven voor het voeren van de procedure in hoger beroep. Daarom moet ook geconcludeerd worden dat er ook geen toestemming is gegeven voor het doen van verzet zoals bedoeld in artikel 8:55, eerste lid, van de Awb.

Uitspraak

Datum uitspraak: 6 januari 2023

20/146 WLZ-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank

Den Haag van 10 december 2019, 18/6503 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Awb van

27 juli 2022 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft verzet gedaan.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 december 2022. Appellant is op de zitting verschenen. Het CIZ is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De Raad heeft in de uitspraak van 27 juli 2022 het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant van zijn bewindvoerder geen toestemming heeft gekregen voor het voeren van de procedure in hoger beroep.

In het door appellant ingediende verzetschrift schrijft hij dat hij wachtgeld wil en dat de kosten voor zijn bewind worden vergoed. Ook vindt appellant dat de behandeling van GGZ Rivierduinen niet goed is.

Wat appellant aanvoert in verzet geeft de Raad geen aanleiding af te wijken van het oordeel in de uitspraak van 27 juli 2022.

Zoals vermeld in de eerste overweging van die uitspraak staat in artikel 8:21, eerste lid, van de Awb dat natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordiger naar burgerlijk recht.

De bewindvoerder van appellant heeft geen toestemming heeft gegeven voor het voeren van de procedure in hoger beroep. Daarom moet ook geconcludeerd worden dat er ook geen toestemming is gegeven voor het doen van verzet zoals bedoeld in artikel 8:55, eerste lid, van de Awb. Het verzet is erop gericht het voeren van een (inhoudelijke) hogerberoepsprocedure door appellant mogelijk te maken, terwijl daarvoor nu juist geen toestemming is. Daarom komt de Raad niet toe aan de inhoudelijke behandeling.

Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling in verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van Y. Fatni als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2023.

(getekend) J.C. Boeree

(getekend) Y. Fatni