Socialezekerheidsrecht

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.

Centrale Raad van Beroep, 25 juli 2023

Zaakgegevens

Op 25 juli 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25 juli 2023
Datum publicatie
31 juli 2023
Zaaknummer
22 / 3403 PW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2023:1451
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 25 juli 2023

22/3403 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 september 2022, 22/1843 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het Dagelijks Bestuur van Gemeenschappelijke Regeling Sociaal (Dagelijks Bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.L.M. Klinkhamer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Bij brief van 10 januari 2023 heeft mr. Klinkhamer namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Dagelijks Bestuur te veroordelen in de proceskosten.

Het Dagelijks Bestuur heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Vastgesteld wordt dat mr. Klinkhamer het hoger beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van het besluit van het Dagelijks Bestuur van 16 december 2022, waarmee het Dagelijks Bestuur is teruggekomen op de eerder opgelegde boete. Hiermee is aan appellante (gedeeltelijk) tegemoetgekomen, als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.

Het Dagelijks Bestuur heeft geen verweer gevoerd tegen de vergoeding die appellante vraagt, en wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.194,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting), € 837,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift) en € 837,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift).

Daarnaast zal het Dagelijks Bestuur het door appellante voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht moeten vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt het Dagelijks Bestuur in de kosten van appellante tot een bedrag van

€ 2.868,-;

- bepaalt dat het Dagelijks Bestuur aan appellante het voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2023.

(getekend) J.J. Janssen

(getekend) A. Giesen