Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het griffierecht is vervolgens niet binnen de gestelde termijn betaald.
Centrale Raad van Beroep, 6 september 2023
ECLI:NL:CRVB:2023:1729 · Centrale Raad van Beroep · 6 september 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2023-1729
Zaakgegevens
Op 6 september 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 september 2023
- Datum publicatie
- 7 september 2023
- Zaaknummer
- 22/3030 WMO15 & 22/3109 PW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2023:1729
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het griffierecht is vervolgens niet binnen de gestelde termijn betaald.
Uitspraak
Datum uitspraak: 6 september 2023
22/3030 WMO15, 22/3109 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
12 augustus 2022, 21/1206, 21/3852 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
OVERWEGINGEN
In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 1 oktober 2022 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 136,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Appellant heeft vervolgens verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. Bij brief van 29 december 2022 heeft de Raad het beroep van appellant op betalingsonmacht afgewezen.
Bij aangetekende brief van 30 december 2022 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat de (hoger) beroepen niet inhoudelijk behandeld zullen worden.
Bij brief van 6 februari 2023 heeft appellant de Raad verzocht de afwijzing van zijn verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht te heroverwegen.
Bij brief van 15 februari 2023 heeft de Raad dat verzoek afgewezen. Wel is aan appellant met deze brief een nieuwe termijn gegeven om het griffierecht alsnog te betalen. Daarbij is er opnieuw op gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat de (hoger) beroepen niet inhoudelijk behandeld zullen worden.
Het griffierecht is vervolgens niet binnen de gestelde termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2023.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.