Socialezekerheidsrecht
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening ivm beëindiging bijstand. Geen spoedeisend belang. Verzoekster heeft…
Centrale Raad van Beroep, 31 oktober 2023
ECLI:NL:CRVB:2023:2100 · Centrale Raad van Beroep · 31 oktober 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2023-2100
Zaakgegevens
Op 31 oktober 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 31 oktober 2023
- Datum publicatie
- 13 november 2023
- Zaaknummer
- 23/1954 PW-VV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2023:2100
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening ivm beëindiging bijstand. Geen spoedeisend belang. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in zodanige financiële omstandigheden verkeert, dat sprake is van een spoedeisend belang. Verzoekster heeft uitgebreid geschreven en verteld over de veiligheidsproblemen die zij ervaart en over haar leefsituatie en haar financiële positie, maar zij heeft geen enkel stuk overgelegd op basis waarvan de juistheid van haar stellingen kan worden geverifieerd. Door dit gebrek aan verifieerbare informatie kan de voorzieningenrechter niet vaststellen dat de situatie van verzoekster aanleiding geeft om de bijstandverlening aan haar bij wijze van voorlopige voorziening voort te zetten, totdat op het hoger beroep is beslist.
Uitspraak
23/1954 PW-VV, 23/1958 PW-VV, 23/1959 PW-VV
Datum uitspraak: 31 oktober 2023
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoekster] , woonplaats onbekend (verzoekster)
het college van burgemeester en wethouders van [Gemeente Z] (college)
PROCESVERLOOP
Het college heeft met een besluit van 7 januari 2020, zoals gewijzigd met een besluit van 2 april 2020, de bijstand van verzoekster beëindigd met ingang van 1 juni 2020. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college is met een besluit van 27 juli 2020 (bestreden besluit 1) bij dat besluit gebleven.
Het college heeft met een besluit van 4 september 2020 (bestreden besluit 2) verzoeksters aanvraag om bijstand buiten behandeling gesteld. Verzoekster heeft daartegen rechtstreeks beroep ingesteld.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland heeft met een uitspraak van 4 november 2022, 20/525, 20/2599 en 20/2725 (aangevallen uitspraak) – voor zover hier van belang – de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en die besluiten in stand gelaten.
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan voor zover die uitspraak gaat over de bestreden besluiten. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2023. Verzoekster heeft door middel van videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Jorritsma-Zuidema, ook door middel van videobellen maar zonder beeldverbinding.
OVERWEGINGEN
Samenvatting
Verzoekster heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van een uitspraak op het hoger beroep over de beëindiging van de haar verleende bijstand en over de buitenbehandelingstelling van een nieuwe aanvraag om bijstand. De voorzieningenrechter oordeelt dat geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening kan worden aangenomen. Verzoekster heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij in zodanige financiële omstandigheden verkeert, dat sprake is van een spoedeisend belang. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Verzoekster heeft voorheen [te Y] gewoond. Daar is zij gestart met werk als [naam functie] voor [naam] , een website waar nieuwsberichten en blogs over [Y] worden gepubliceerd, onder meer met betrekking tot de lokale [A-industrie] . Medio 2012 is verzoekster door haar [naam functie] in moeilijkheden geraakt. Zij ervoer ernstige bedreigingen. Verzoekster is daarom begin 2013 teruggekeerd naar Nederland.
Verzoekster ontving sinds 23 oktober 2014 bijstand op grond van de Participatiewet(PW), laatstelijk naar de kostendelersnorm bij een tweepersoonshuishouden. Zij stond toen ingeschreven op het adres in de gemeente [Gemeente Z] waar haar vader woonde (adres X).
In 2016 heeft verzoekster aan het college laten weten dat zij op adres X niet meer veilig was en zich genoodzaakt zag om onder te duiken. Met ingang van 15 augustus 2017 zijn voor verzoekster beveiligingsmaatregelen getroffen in het kader van het Stelsel Bewaken en Beveiligen. Deze maatregelen zijn met ingang van 1 juni 2018 stopgezet, omdat die door het Openbaar Ministerie en de politie niet meer noodzakelijk werden geacht.
In maart 2019 heeft verzoekster een stichting opgericht waarmee zij namens gedupeerde spelers rechtszaken aanspant tegen [A-bedrijven] , te weten de Stichting [Naam stichting] ( [Naam stichting] ). Zij is directeur van deze stichting.
Op 19 december 2019 heeft verzoekster aan het college te kennen gegeven dat zij voor haar veiligheid voornamelijk buiten Nederland verblijft en heen en weer reist tussen Spanje , Italië , Portugal en Nederland en dat zij daarbij zo vaak en veel mogelijk wisselt van stad, dorp en streek. Zij heeft daarbij vermeld dat zij dit doet wegens bedreigingen als gevolg van de inhoud van haar publicaties over met name malafide praktijken in de [A-industrie] .
Beëindiging van bijstand
Het college heeft met een besluit van 7 januari 2020 de bijstand van verzoekster met ingang van 1 maart 2020 beëindigd. De reden daarvan was dat zij buiten Nederland verbleef, zodat zij van het recht op bijstand was uitgesloten, en het college in de situatie van verzoekster geen zeer dringende redenen zag om haar toch bijstand te blijven verlenen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Met een besluit van 2 april 2020 heeft het college alsnog met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de PW aan verzoekster bijstand verleend vanaf 1 maart 2020, omdat zij wegens reisbeperkingen als gevolg van de coronapandemie niet naar Nederland kon terugkeren. Het college heeft met datzelfde besluit de bijstandverlening beëindigd met ingang van 1 juni 2020, omdat de reisbeperkingen waren weggevallen.
Met bestreden besluit 1 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 januari 2020, zoals gewijzigd met het besluit van 2 april 2020, ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt, samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag. Verzoekster woonde niet in Nederland. Daarom kon zij alleen voor bijstand in aanmerking komen als zeer dringende redenen bijstandverlening noodzakelijk maakten, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW. Verzoekster heeft dergelijke zeer dringende redenen niet aannemelijk gemaakt, zodat er geen grond is voor voortzetting van de bijstand vanaf 1 juni 2020.
Buitenbehandelingstelling van een aanvraag
Verzoekster heeft zich op 17 juli 2020 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand en op diezelfde dag de aanvraag ingediend.
Met brieven van 23 juli en 11 augustus 2020 en een e-mailbericht van 18 augustus 2020 heeft het college aan verzoekster gevraagd om diverse gegevens, waaronder een verklaring met een bewijsstuk waaruit blijkt dat zij binnen de gemeente [Gemeente Z] verblijft en een verklaring hoe zij tot dan toe in haar levensonderhoud heeft voorzien. Verzoekster heeft op 3 augustus 2020 bankafschriften overgelegd en op 21 augustus 2020 per e-mailbericht een reactie ingezonden.
Met bestreden besluit 2 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld op de grond dat verzoekster niet alle gevraagde stukken had overgelegd, waaronder de in 1.10 bedoelde verklaringen. Tegen dit besluit heeft verzoekster rechtstreeks beroep ingesteld.
Het oordeel van de rechtbank
2. Met de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening
3. Verzoekster heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld en verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de bestreden besluiten te schorsen en de bijstand voort te zetten totdat op het hoger beroep is beslist. Wat zij daartoe heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter beoordeelt of het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen moet worden toegewezen en komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Dit wordt hierna toegelicht.
Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dat volgt uit artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een dergelijk spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening heeft.
Verzoekster heeft uitgebreid geschreven en verteld over de veiligheidsproblemen die zij ervaart en over haar leefsituatie en haar financiële positie, maar zij heeft geen enkel stuk overgelegd op basis waarvan de juistheid van haar stellingen kan worden geverifieerd. Verzoekster heeft weliswaar leenovereenkomsten en bankafschriften overgelegd waaruit is af te leiden dat zij tot voor kort in de kosten van haar levensonderhoud voorzag door van de [Naam stichting] ontvangen gelden, maar uit niets blijkt dat, zoals zij stelt, aan deze gang van zaken een einde is gekomen of binnenkort zal komen.
Door dit gebrek aan verifieerbare informatie kan de voorzieningenrechter niet vaststellen dat de situatie van verzoekster aanleiding geeft om de bijstandverlening aan haar bij wijze van voorlopige voorziening voort te zetten, totdat op het hoger beroep is beslist.
Conclusie en gevolgen
Gelet op het voorgaande is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb een oordeel te geven over de hoofdzaak. Verzoekster heeft op de zitting namelijk gezegd dat zij in de hoofdzaak concrete bewijzen van haar stellingen kan overleggen.
5. Voor een veroordeling van het college in eventuele proceskosten van verzoekster en een vergoeding van het door haar betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2023.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) L.C. van Bentum