Socialezekerheidsrecht
De door appellant gevraagde uitbreiding voor huishoudelijke hulp is niet medisch noodzakelijk. Geen sprake…
Centrale Raad van Beroep, 15 november 2023
ECLI:NL:CRVB:2023:2128 · Centrale Raad van Beroep · 15 november 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2023-2128
Zaakgegevens
Op 15 november 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 november 2023
- Datum publicatie
- 15 november 2023
- Zaaknummer
- 21/2273 WUV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2023:2128
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De door appellant gevraagde uitbreiding voor huishoudelijke hulp is niet medisch noodzakelijk. Geen sprake van een beperking in het verrichten van lichte huishoudelijke werkzaamheden op grond van de lichamelijke klachten en het psychische beeld leidt niet tot chaotisch gedrag en/of zelfverwaarlozing. Beleid verweerder is door de Raad aanvaardbaar bevonden.
Uitspraak
21/2273 WUV
Datum uitspraak: 15 november 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Met een besluit van 5 december 2019 heeft verweerder de aanvraag van appellant om uitbreiding van de aan hem op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 19401945 (Wuv) toegekende vergoeding voor huishoudelijke hulp afgewezen.
Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt maar verweerder is met een besluit van 19 mei 2021, kenmerk BZ011350450 (bestreden besluit) bij de afwijzing gebleven.
Appellant heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 oktober 2023. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van der Wiel.
OVERWEGINGEN
Samenvatting
Appellant heeft verzocht om toekenning van een tweede dagdeel huishoudelijke hulp per week, maar verweerder acht een uitbreiding van de huishoudelijk hulp niet medisch noodzakelijk. De Raad volgt dat oordeel.
Totstandkoming van het bestreden besluit.
1. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant is vervolgde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat hij psychische klachten heeft die in verband staan met de door hem ondergane vervolging. Appellant heeft verschillende voorzieningen toegekend gekregen, waaronder een vergoeding voor de kosten van (extra) huishoudelijke hulp van maximaal een dagdeel per week.
In oktober 2019 heeft appellant verzocht om uitbreiding van de aan hem toegekende vergoeding voor huishoudelijke hulp.
Met een besluit van 5 december 2019 heeft verweerder de aanvraag van appellant afgewezen. De bezwaren van appellant daartegen zijn door verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de gevraagde uitbreiding niet medisch noodzakelijk is. Volgens verweerder is bij appellant geen sprake van een beperking in het verrichten van lichte huishoudelijke werkzaamheden op grond van de lichamelijke klachten en leidt het psychisch beeld niet tot chaotisch gedrag en/of zelfverwaarlozing.
Het oordeel van de Raad
De Raad beoordeelt of verweerder terecht de aanvraag van appellant heeft afgewezen. Hij doet dit aan de hand van argumenten die appellant in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Verweerder hanteert, voor zover hier van belang, het beleid dat aan een persoon van 70 jaar of ouder, zoals appellant, een vergoeding voor twee dagdelen huishoudelijke hulp per week kan worden toegekend als hij op grond van het totaal van zijn medische beperkingen – zowel causale als niet-causale – niet meer in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Dezelfde vergoeding kan worden toegekend als sprake is van psychische aandoeningen in combinatie met (zelf)verwaarlozing en/of chaotisch gedrag. De Raad heeft dit beleid al meermalen aanvaardbaar geacht.
Verweerder heeft de aanvraag van appellant om advies voorgelegd aan de arts R. Loonstein. Deze arts heeft op basis van informatie van de internist en neuroloog geconcludeerd dat er geen medische noodzaak is voor uitbreiding van het al aan appellant toegekende ene dagdeel huishoudelijke hulp. Het bezwaarschrift is voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts R.J. Roelofs. Hij heeft op basis van het bezwaarschift, na heroverweging van de medische gegevens en op basis van informatie van een drietal cardiologen, het oordeel van Loonstein onderschreven. Ook Roelofs ziet geen medische noodzaak voor meer dan het toegekende ene dagdeel huishoudelijke hulp.
Uit het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende medische en andere gegevens stelt de Raad vast dat verweerder het onder 2.3 genoemde beleid als uitgangspunt heeft genomen voor de beoordeling van de aanvraag van appellant. Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellant ondanks de bij hem aanwezige psychische en lichamelijke klachten niet aangewezen is op uitbreiding van de al toegekende vergoeding voor huishoudelijke hulp. De Raad ziet geen aanleiding anders te oordelen. Zo heeft appellant op de zitting ook bevestigd dat hij, hoewel hij enigszins is gehinderd door lichamelijke klachten, nog lichte huishoudelijke werkzaamheden verricht en nog (lichte) boodschappen kan doen. Om die reden ziet de Raad geen reden voor het inwinnen van nadere informatie bij de internist. Niet blijkt dat appellant de huishoudelijke taken vanwege zijn hartklachten niet mag doen. Door geen van de cardiologen of andere behandelaars heeft appellant beperkingen opgelegd gekregen voor de algemeen dagelijkse levensverrichtingen. Nu evenmin is gebleken dat bij appellant sprake is van (zelf)verwaarlozing of chaotisch gedrag bestaat geen medische noodzaak voor meer dan een dagdeel huishoudelijke hulp.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep slaagt niet. Dat betekent dat de afwijzing van uitbreiding van de huishoudelijke hulp in stand blijft.
4. Appellant krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2023.
(getekend) H. Lagas
(getekend) C.K. Teunissen