Socialezekerheidsrecht
Afwijzing aanvraag om bijstand. Onduidelijk is of appellant kan beschikken over een mogelijke bron van…
Centrale Raad van Beroep, 5 december 2023
ECLI:NL:CRVB:2023:2516 · Centrale Raad van Beroep · 5 december 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2023-2516
Zaakgegevens
Op 5 december 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 december 2023
- Datum publicatie
- 29 december 2023
- Zaaknummer
- 21/3636 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2023:2516
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing aanvraag om bijstand. Onduidelijk is of appellant kan beschikken over een mogelijke bron van inkomen of aanwezig vermogen. Appellant heeft geen duidelijkheid verschaft over de herkomst van bedragen waarmee hij heeft gegokt en hij heeft gegevens op de Skrill-rekening weggelakt. Niet het gokken, maar de onduidelijkheid over inkomen en vermogen staat eraan in de weg dat het college het recht op bijstand kan vaststellen.
Uitspraak
21 3636 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 september 2021, 20/3644 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)
Datum uitspraak: 5 december 2023
Zitting hebben: O.L.H.W.I. Korte als voorzitter, en P.W. van Straalen en M. Hillen als leden
Griffier: F.C. Meershoek
Ter zitting is namens het college verschenen S. van der Meulen. Appellant noch zijn gemachtigde mr. N.E. van Uitert, advocaat, zijn verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het college heeft met een besluit van 8 juni 2020 een aanvraag van appellant van 17 januari 2020 om bijstand op grond van de Participatiewet afgewezen. Met het nu bestreden besluit van 11 november 2020 is het college bij die afwijzing gebleven.
Aan de afwijzing ligt ten grondslag dat appellant geen volledige openheid van zaken heeft gegeven over de herkomst van bedragen die hij voor de aanvraagdatum op diverse goksites heeft gestort. Omdat appellant bovendien gegevens heeft weggelakt op de afschriften van de [X]-rekening die hij gebruikte voor het gokken, is de financiële situatie voor het college niet duidelijk. Niet uitgesloten is dat appellant over inkomens- en vermogensbronnen beschikt die van belang zijn voor het recht op bijstand.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellant is het daar niet mee eens. De gronden die hij in dit verband heeft aangevoerd, slagen niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Daarvoor is het volgende van belang.
Appellant stelt in de eerste plaats dat het college voldoende informatie had om het recht op bijstand vast te tellen. Dat appellant heeft gegokt hoeft volgens hem niet aan toekenning van bijstand in de weg te staan.
Deze grond slaagt niet omdat appellant eraan voorbijgaat dat hij geen duidelijkheid heeft verschaft over de herkomst van bedragen waarmee hij heeft gegokt en gegevens op de [X]-rekening heeft weggelakt. Daarmee is onduidelijk of appellant kan beschikken over een mogelijke bron van inkomen of aanwezig vermogen. Niet het gokken, maar de onduidelijkheid over inkomen en vermogen staat eraan in de weg dat het college het recht op bijstand kan vaststellen.
Appellant wijst er verder op dat het college met een besluit van 30 juni 2020 alsnog bijstand heeft toegekend en dat de omstandigheden waaronder de bijstand is toegekend dezelfde zijn als die ten tijde van de afwijzing. Volgens appellant is er sprake van willekeur.
Ook deze grond slaagt niet. Van willekeur is geen sprake. Het college heeft met de toekenning na signalen dat appellant niet langer aan zijn financiële verplichtingen kon voldoen een vicieuze cirkel willen doorbreken. Die toekenning doet er niet aan af dat het college ten tijde van de afwijzing het recht op bijstand niet kon vaststellen.
De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing in stand blijft.
Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) F.C. Meershoek (getekend) O.L.H.W.I. Korte