Socialezekerheidsrecht

Berekening terugvordering na judiciële lus. Motiveringsgebrek gepasseerd. Uit het bestreden besluit volgt…

Centrale Raad van Beroep, 18 april 2023

Zaakgegevens

Op 18 april 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18 april 2023
Datum publicatie
21 april 2023
Zaaknummer
22 / 404 PW-PV
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2023:750
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Berekening terugvordering na judiciële lus. Motiveringsgebrek gepasseerd. Uit het bestreden besluit volgt niet hoe het terugvorderingsbedrag is berekend. Met een brief heeft het dagelijks bestuur de berekening alsnog inzichtelijk gemaakt en toegelicht.

Uitspraak

22 404 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het beroep tegen het besluit van het dagelijks bestuur van Ferm Werk van 23 december 2021

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats] (appellanten)

het dagelijks bestuur van Ferm Werk (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 18 april 2023

Zitting heeft: E.J.M. Heijs

Griffier: Y.S.S. Fatni

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S Wortel, advocaat, en B. Badouri, tolk. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. van der Voorn en S. de Rooy.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.674,-;

  • bepaalt dat het dagelijks bestuur het in beroep betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Bij besluit van 23 december 2021 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur, ter uitvoering van de uitspraak van 9 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2792, het bedrag van de terugvordering van de kosten van bijstand van appellanten over de periode van 13 oktober 2006 tot en met 31 januari 2017 vastgesteld op € 196.655,81.

Het dagelijks bestuur heeft erkend dat uit het bestreden besluit niet volgt hoe het terugvorderingsbedrag is berekend en dat daarmee sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel als bedoeld in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan het motiveringsgebrek voorbij te gaan, omdat aannemelijk is dat appellanten daardoor niet zijn benadeeld. Het dagelijks bestuur heeft dit gebrek immers gedurende het beroep hersteld. Met de brief van
18 oktober 2022 heeft het dagelijks bestuur de berekening alsnog inzichtelijk gemaakt en toegelicht. Hieruit blijkt dat het bij het bestreden besluit vastgestelde en gebruteerde terugvorderingsbedrag te laag is vastgesteld, maar het dagelijks bestuur heeft te kennen gegeven niet ten nadele van appellanten te zullen terugkomen van dit lagere bedrag.

De conclusie is dat het beroep ongegrond is. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten en opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) Y.S.S. Fatni (getekend) E.J.M. Heijs