Socialezekerheidsrecht
Verzoek om herziening niet-ontvankelijk. De Raad is van oordeel dat verzoekster in verzet geen feiten of…
Centrale Raad van Beroep, 21 april 2023
ECLI:NL:CRVB:2023:756 · Centrale Raad van Beroep · 21 april 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2023-756
Zaakgegevens
Op 21 april 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 april 2023
- Datum publicatie
- 25 april 2023
- Zaaknummer
- 22 / 2185 AOW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2023:756
Samenvatting
Verzoek om herziening niet-ontvankelijk. De Raad is van oordeel dat verzoekster in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn voldaan.
Uitspraak
22 2185 AOW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 november 2020 20/772
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] , Marokko (verzoekster)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank
Datum uitspraak: 21 april 2023
Zitting heeft: J.C. Boeree, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: E.X.R. Yi
Ter zitting is niemand verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 10 januari 2020 (19/3914) van de rechtbank Amsterdam. Dit hoger beroep is door de Raad in een uitspraak van 18 juni 2020 (20/772) niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoekster het griffiecht niet (tijdig) had betaald. Het verzet hiertegen is door de Raad op 13 november 2020 ongegrond verklaard. In de uitspraak van 9 juli 2021 heeft de Raad het verzoek om herziening van verzoekster afgewezen omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn van vier weken is voldaan.
Op 10 juni 2022 heeft verzoekster nogmaals een verzoek ingediend en daarbij gevraagd om herziening van de uitspraak met nummer 20/772.
In deze procedure is het griffierecht voldaan, maar niet binnen de gestelde termijn.
De Raad is van oordeel dat verzoekster in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn voldaan. Ook voor een verzoek om herziening moet tijdig griffierecht worden betaald. Dat betekent dat het verzoek om herziening niet ontvankelijk is. Het te laat betaalde griffierecht wordt aan appellante terugbetaald.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) E.X.R. Yi (getekend) J. C. Boeree