Socialezekerheidsrecht
Proceskostenveroordeling en vergoeding kosten medisch deskundige. Wettelijke rente.
Centrale Raad van Beroep, 26 april 2023
ECLI:NL:CRVB:2023:776 · Centrale Raad van Beroep · 26 april 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2023-776
Zaakgegevens
Op 26 april 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 april 2023
- Datum publicatie
- 26 april 2023
- Zaaknummer
- 21/2781 WAJONG
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2023:776
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Proceskostenveroordeling en vergoeding kosten medisch deskundige. Wettelijke rente.
Uitspraak
21 2781 WAJONG
Datum uitspraak: 26 april 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 juni 2021, 19/7979 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I Winia hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 17 oktober 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 16 november 2022 heeft mr. Winia namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten, waaronder de kosten voor het inschakelen van een medisch deskundige. Tevens heeft appellante verzocht om vergoeding van de wettelijke rente.
Het Uwv heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt, mits rekening wordt gehouden met het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 17 oktober 2022 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen
Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten voor rechtsbijstand die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, ingevolge het Bpb begroot op € 1.674,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 837,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift).
Daarnaast komen de kosten verbonden aan de inschakeling van een deskundige in hoger beroep gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft de kosten van het uitgebrachte rapport van 14 april 2022 van verzekeringsarts E.C. van der Eijk. Voor deze kosten heeft appellante een vergoeding verzocht van € 1.118,03. Dit betreft een bedrag in verband met 7,5 uur aan advisering door de verzekeringsarts. Hiervoor komt appellante, gelet op artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb en het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (tarief 2022) bij een bestede tijd van 7,5 uur een forfaitaire vergoeding toe van 7,5 uur x € 136,19 = € 1.021,43.
Het totaalbedrag van de te vergoeden proceskosten bedraagt daarmee € 3.532,43.
Het verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor aangegeven;
-
veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.532,43.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2023.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) S. Pouw