Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep · Hoger beroep · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 24 mei 2024

Zaakgegevens

Op 24 mei 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24 mei 2024
Datum publicatie
18 juni 2024
Zaaknummer
23/485 WIA-V
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2024:1175
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzet ongegrond.

Uitspraak

Datum uitspraak: 24 mei 2024

23/485 WIA-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 december 2022, 21/4209 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

In de uitspraak van 24 oktober 2023 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het na afloop van de termijn is ingediend.

Appellant heeft verzet ingediend.

Het verzet is behandeld op de zitting van 12 april 2024. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Appellant erkent dat hij te laat hoger beroep heeft ingesteld. Hij verzoekt het beroep alsnog in behandeling te nemen omdat hij het recht van verweer heeft. Er is hem onrecht aangedaan en hij heeft recht op een juiste onpartijdige beslissing.

Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft nietontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dat staat in artikel 6:11 van de Awb, dat ook in hoger beroep van toepassing is. Het gaat daarbij om de vraag of het niet tijdig indienen van het beroepschrift aan de indiener kan worden toegerekend. Daarvan is sprake als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij de beoordeling van de verschoonbaarheid in geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen moeten alle omstandigheden van het geval in hun samenhang worden bezien.

De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.

Het griffierecht zal aan appellant worden teruggestort.

De Raad ziet geen aanleiding om proceskosten aan appellant te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het verzet ongegrond;

- bepaalt dat het betaalde griffierecht van € 136,- door de griffier van de Raad aan appellant wordt terugbetaald.

Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2024.

(getekend) J.C. Boeree

(getekend) S.C. Scholten