Socialezekerheidsrecht
Geen ontheffing arbeidsverplichtingen op grond van duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid. Het ligt op…
Centrale Raad van Beroep, 30 april 2024
ECLI:NL:CRVB:2024:870 · Centrale Raad van Beroep · 30 april 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2024-870
Zaakgegevens
Op 30 april 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 april 2024
- Datum publicatie
- 7 mei 2024
- Zaaknummer
- 22/2957 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2024:870
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Geen ontheffing arbeidsverplichtingen op grond van duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid. Het ligt op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor ontheffing en is het daarom in eerste instantie aan hem om het college te voorzien van medische gegevens die zijn standpunt onderbouwen. Appellant heeft echter geen enkel medisch stuk verstrekt dat erop kan wijzen dat sprake is van duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid.
Uitspraak
22 2957 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2022, 22/1526 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 30 april 2024
Zitting heeft: E.J.M. Heijs
Griffier: N. van der Horn
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 april 2024. Voor appellant is mr. N. Talhoui, advocaat, verschenen, waarnemend voor mr. R. Moghni. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.T. Krabbenborg.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit op bezwaar van 14 februari 2022 heeft het college, voor zover van belang, appellant voor de duur van één jaar tijdelijk ontheffing verleend van de verplichtingen tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Participatiewet (PW). Het college heeft daarbij verwezen naar een advies van een psycholoog van Indigo. In dat advies is vermeld dat appellant psychische klachten heeft, dat er geen extra participatiegerichte activiteiten gedurende twaalf maanden mogelijk zijn, dat de participatiemogelijkheden van appellant kunnen worden vergroot met behulp van GGZ-behandeling en dat na behandeling een herbeoordeling wordt aangeraden.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het college hem op grond van artikel 9, vijfde lid, van de PW permanent had moeten ontheffen van de verplichtingen tot arbeidsinschakeling, re-integratie en tegenprestatie.
Zoals volgt uit vaste rechtspraak ligt het op de weg van degene die zich op deze bepaling beroept om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor toepassing ervan en is het daarom in eerste instantie aan hem om het college te voorzien van medische gegevens die zijn standpunt onderbouwen. Appellant heeft daaraan niet voldaan. Hij heeft geen enkel medisch stuk verstrekt dat erop kan wijzen dat sprake is van duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid. Bovendien volgt uit het advies van de psycholoog van Indigo ook niet dat appellant duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is, nu daarin juist wordt geadviseerd een GGZ-behandeling te starten ter vergroting van de participatiemogelijkheden van appellant en een herbeoordeling te laten plaatsvinden na behandeling.
De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) N. van der Horn (getekend) E.J.M. Heijs