Socialezekerheidsrecht

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.

Centrale Raad van Beroep, 18 juni 2025

Zaakgegevens

Op 18 juni 2025 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18 juni 2025
Datum publicatie
27 juni 2025
Zaaknummer
24/1365 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:955
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.

Uitspraak

Datum uitspraak: 18 juni 2025

24/1365 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland locatie Haarlem van 30 april 2024, 23/6590 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.G. Evers hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Bij brief van 14 juni 2024 is de gemachtigde van appellante erop gewezen dat een griffierecht van € 138,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.

Bij aangetekende brief van 15 juli 2024 is de gemachtigde van appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.

Bij brief van 6 juli 2024 heeft de gemachtigde van appellante een verzoek om vrijstelling van het griffierecht gedaan.

De Raad heeft de gemachtigde van appellante met een brief van 23 juli 2024 alsnog in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken aan te tonen dat zij aan de vereisten voor vrijstelling van het griffierecht voldoet. Daarbij is erop gewezen dat als het formulier niet op tijd of onvolledig retour wordt gestuurd, het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen.

De gemachtigde van appellante heeft het formulier niet binnen de termijn retour gestuurd. Het formulier is buiten de termijn en onvolledig naar de Raad gestuurd. Bij brief van

12 december 2024 heeft de Raad uit coulance de gemachtigde van appellante nogmaals een termijn gegeven tot en met 3 januari 2025 om dit verzuim te herstellen.

Bij brief van 21 januari 2025 heeft de Raad het beroep op betalingsonmacht afgewezen, omdat zij niet aan het verzoek van 12 december 2024 heeft voldaan.

Bij aangetekende brief van 28 januari 2025 is de gemachtigde van appellante wederom gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.

Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.

Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van

N. Phetkhoowiang als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2025.

(getekend) S.B. Smit-Colenbrander

(getekend) N. Phetkhoowiang

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.