Socialezekerheidsrecht
De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Appellante heeft geen procesbelang bij de beoordeling…
ECLI:NL:CRVB:2026:1012 · Centrale Raad van Beroep · 4 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1012
Zaakgegevens
Op 4 augustus 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 augustus 2026
- Datum publicatie
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/1500 PW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1012
Samenvatting
De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Appellante heeft geen procesbelang bij de beoordeling van het hoger beroep. Een uitkeringsspecificatie kan niet aangemerkt worden als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Uitspraak
Inhoudsopgave
24/1500 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
17 mei 2024, 23/6592 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om de vraag of het college het bezwaar tegen een uitkeringsspecificatie terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat die specificatie niet kan worden aangemerkt als een besluit. Volgens het college is de uitkeringsspecificatie niet gericht op rechtsgevolg. Dit rechtsgevolg is al met een eerdere uitkeringsspecificatie ingetreden. Appellante is het daarmee niet eens. De Raad komt tot het oordeel dat appellante geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het hoger beroep over de nietontvankelijkverklaring van het bezwaar.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 31 maart 2026. Voor appellante is mr. Sprakel verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Liefting.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het college heeft in 2020 en 2021 het vakantiegeld van appellante verrekend met twee openstaande vorderingen tot een bedrag van in totaal € 10.941,48. Deze vorderingen vloeien voort uit besluiten van 28 augustus 2019 en 15 oktober 2019. Appellante heeft over die besluiten een procedure gevoerd tot aan de Raad. Die procedure is op 17 mei 2022 geëindigd met een schikking. Daarbij is appellante met het college onder meer overeengekomen dat de hoogte van de vorderingen wordt vastgesteld op € 6.000,-. Met een brief van 25 juli 2022 heeft het college dit aan appellante bevestigd. In deze brief staat ook dat ? na de door haar gedane aflossingen en na verrekening van de toegekende proceskostenveroordeling ? nog één openstaande vordering resteert van € 2.886,40.
In een uitkeringsspecificatie over de maand mei 2022 staat dat het vakantiegeld van appellante wordt ingehouden (lees: verrekend). Bij de verrekening wordt op de specificatie vermeld ‘aflossing vordering’. Appellante heeft ook over deze verrekening geprocedeerd. De rechtbank heeft in een uitspraak van 25 augustus 2023 (22/6149), voor zover hier van belang, geoordeeld dat de verrekening van het vakantiegeld in mei 2022 terecht heeft plaatsgevonden. Deze uitspraak heeft kracht van gewijsde gekregen.
In een uitkeringsspecificatie van de maand mei 2023 staat opnieuw dat het vakantiegeld wordt ingehouden. Ook hierbij staat de aanduiding ‘aflossing vordering’. Appellante heeft ook daartegen bezwaar gemaakt en daarbij in essentie aangevoerd dat niet duidelijk is op welke vordering deze aanduiding ziet en ook niet duidelijk is of die vordering wel bestaat. Met een besluit van 11 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het college het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat de uitkeringsspecificatie niet aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat de verrekening een herhaling is van een eerder genomen besluit tot verrekening.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij meent dat geen sprake is van een herhaald besluit, omdat op basis van de summiere omschrijving op de uitkeringsspecificatie niet kan worden vastgesteld of dat zo is. Bij de verrekening moet kunnen worden vastgesteld op grond waarvan wordt verrekend en of het college de beslagvrije voet juist heeft toegepast. Dat kon op grond van de in de uitkeringsspecificatie opgenomen toelichting niet. Daarnaast heeft het college ook niet onderzocht of appellante hogere kosten van het bestaan heeft. De rechtbank had de specificatie moeten herroepen omdat sprake is van een fundamenteel gebrek in de motivering.
Het oordeel van de Raad
De Raad dient ambtshalve te beoordelen of appellante nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep. De Raad komt tot het oordeel dat dat niet het geval is. Daarbij is het volgende van belang.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
Appellante heeft ter zitting erkend dat de verrekening van het vakantiegeld zoals opgenomen in de uitkeringsspecificatie over mei 2023 alleen betrekking kon hebben op de onder 1.1 vermelde vordering van € 2.886,40. Uit wat appellante in deze procedure heeft aangevoerd en uit wat zij ter zitting daarover heeft toegelicht, leidt de Raad af dat appellante geen oordeel wil over de verrekening, maar een principieel oordeel wil over de vraag of het college kosten in bezwaar verschuldigd is omdat pas in de beslissing op bezwaar is gemotiveerd op welke vordering de op de uitkeringsspecificatie zichtbare verrekening betrekking heeft. Zoals volgt uit 4.2 is een principieel belang onvoldoende om procesbelang aan te nemen. Ook kan geen procesbelang kan worden ontleend aan de omstandigheid dat het college geen vergoeding heeft toegekend voor de door appellante gemaakte kosten in bezwaar. Dit is vaste rechtspraak.
Conclusie en gevolgen
5. Appellante heeft geen procesbelang bij de beoordeling van het hoger beroep. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat de Raad het hoger beroep niet inhoudelijk zal beoordelen.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) L. van Beelen