Socialezekerheidsrecht
De Raad verklaart het verzet ongegrond.
ECLI:NL:CRVB:2026:1027 · Centrale Raad van Beroep · 6 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1027
Zaakgegevens
Op 6 augustus 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Datum publicatie
- 7 augustus 2026
- Zaaknummer
- 25/1918 ANW-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1027
Samenvatting
De Raad verklaart het verzet ongegrond.
Uitspraak
Inhoudsopgave
25/1918 ANW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2025, 25/1185 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
PROCESVERLOOP
In de uitspraak van 6 maart 2026 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is voldaan.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 25 juni 2026. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb, ziet uitsluitend op de vraag of de Raad ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van – in dit geval – het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Dit betekent dat de beoordeling van de Raad in deze verzetsprocedure een beperkte is.
In verzet heeft appellante naar voren gebracht dat haar overleden partner verzekerd is geweest. Appellante is ziek en kan geen activiteiten ondernemen. Zij heeft geen inkomsten of uitkering.
Appellante heeft zich beperkt tot een herhaling van de gronden van haar hoger beroep. Het enkel herhalen van die gronden doet geen twijfel ontstaan over de juistheid van de uitspraak van 6 maart 2026. Voor zover zij met haar mededeling dat zij geen inkomsten of uitkering ontvangt, heeft getracht een onderbouwing te geven voor het niet betalen van het griffierecht, is dat onvoldoende. Die enkele mededeling is niet op enige manier onderbouwd.
Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest, wordt het verzet ongegrond verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.G.J. van Eck