Socialezekerheidsrecht

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.

Centrale Raad van Beroep, 19 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 19 augustus 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
24/2483 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1070
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.

Uitspraak

24/2483 WIA

Datum uitspraak: 19 augustus 2026

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 27 september 2024, 23/2448 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en een aanvullend stuk ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 juni 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn moeder [naam moeder] en zijn schuldhulpverlener [naam hulpverlener] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft een deskundige benoemd.

Het Uwv heeft op 12 maart 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen en appellant met ingang van 21 maart 2022 een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend.

Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.

Het Uwv heeft hierop nogmaals een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Reiskosten in beroep en hoger beroep

Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De reiskosten die appellant heeft moeten maken voor het bijwonen van de zittingen bij de rechtbank en bij de Raad komen tot een bedrag van € 35,10 (openbaar vervoer 2e klas) voor vergoeding in aanmerking.

Vergoeding reiskosten naar deskundige

De kosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken voor het bezoeken van de deskundige worden door de Raad vergoed.

Griffierecht

Bij de aangevallen uitspraak is al bepaald dat het Uwv het door appellant in beroep betaalde griffierecht moet vergoeden. Het Uwv dient ook het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 35,10;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) M.G.J. van Eck