Socialezekerheidsrecht
Het Uwv heeft terecht geen WIA-uitkering toegekend, omdat appelante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De…
ECLI:NL:CRVB:2026:1127 · Centrale Raad van Beroep · 27 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1127
Zaakgegevens
Op 27 augustus 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 augustus 2026
- Datum publicatie
- 28 augustus 2026
- Zaaknummer
- 25/1570 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1127
Samenvatting
Het Uwv heeft terecht geen WIA-uitkering toegekend, omdat appelante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
25/1570 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 juni 2025, 24/4628 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 1 mei 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 juni 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz en tolk M. Cordes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als interieurverzorgster voor 19,44 uur per week. Op 3 mei 2021 heeft zij zich ziekgemeld met belemmerende gezondheidsklachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts, een psycholoog en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 juli 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op 16%. Het Uwv heeft bij besluit van 12 december 2022 geweigerd appellante met ingang van 1 mei 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 16 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante per 1 mei 2023 juist is vastgesteld en weergegeven in de FML van 2 juli 2023. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien het maatmaninkomen en de maatgevende arbeid enigszins aan te passen en twee van de primair geselecteerde functies te verwerpen vanwege het gevraagde opleidingsniveau en beheersing van de Nederlandse taal. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarvoor in de plaats een nieuwe functie geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op 23,15%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is verricht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor de conclusie dat de verzekeringsartsen de belastbaarheid van appellante per datum in geding onjuist hebben ingeschat. De verzekeringsartsen hebben rekening gehouden met alle klachten en deze vertaald naar beperkingen, opgenomen in de FML. Er is een groot aantal beperkingen opgenomen voor zowel de fysieke klachten als de psychische klachten. Daarnaast is als gevolg van energetische klachten een urenbeperking opgenomen. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd dat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht waarom er geen aanleiding is om meer fysieke beperkingen aan te nemen. Appellante heeft geen nadere medische stukken in het geding gebracht waaruit anders blijkt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarnaast uitgebreid gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat op basis van de psychische klachten meer beperkingen aan te nemen. Bij het psychologisch onderzoek door de primaire verzekeringsarts en de psycholoog zijn geen afwijkingen vastgesteld die wijzen op een ernstige psychische stoornis en appellante stond ten tijde van de datum in geding niet onder behandeling voor haar psychische klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de in het geding gebrachte medische informatie kenbaar bij de beoordeling betrokken en geen aanleiding gezien tot een grotere urenbeperking over te gaan. De rechtbank kan de gemotiveerde overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de enkele omstandigheid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door appellante ervaren klachten anders heeft gewogen dan dat appellante die ervaart, niet betekent dat het medisch oordeel onzorgvuldig of onjuist is. De subjectieve beleving van de klachten is volgens vaste rechtspraak niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij appellante zijn vast te stellen. Van belang zijn alleen de medisch te objectiveren beperkingen. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige. De beroepsgronden van appellante hebben de rechtbank geen aanleiding gegeven te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies, zodat deze functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij volledig arbeidsongeschikt is dan wel dat in de FML onvoldoende beperkingen zijn opgenomen. Appellante heeft veel fysieke klachten, waaronder nekklachten, rugklachten, hoofdpijn, krachtsverlies in de armen en handen en tennisarm (rechterarm). Ook heeft zij recidiverende schouder- en knieklachten. Daarnaast ervaart zij psychische klachten, lusteloosheid, vergeetachtigheid en angst- en paniekaanvallen. Zij heeft in dit verband verwezen naar door haar overgelegde medische informatie. Daarbij heeft appellante toegelicht dat zij twee keer corona heeft gehad. Zij kampt naar haar stellen sindsdien met benauwdheid en kortademigheid. Zij heeft geen goede nachtrust waardoor zij overdag erg vermoeid is en een dutje moet doen om de dag door te komen. Vanwege haar beperkingen acht appellante zich niet in staat de geselecteerde functies te verrichten.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie door haar ook in beroep aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
Ook de bij schrijven van 29 mei 2016 in hoger beroep overgelegde medische informatie, te weten de huisartsjournaals 11 augustus 2020 tot en met 12 oktober 2020 en van 2 december 2024 tot en met 2 oktober 2025, de brief van 12 juni 2024 van psycholoog E. Zorba en de brief van 29 september 2025 van radioloog E.P. Stuijfzand (met daarin de uitkomst van de röntgenfoto van de rug), werpt geen ander licht op de gezondheidssituatie van appellante ten tijde van de datum in geding. Vooropgesteld wordt dat de nieuwe stukken dateren van één tot twee jaar na de datum in geding. Bovendien kunnen hieruit geen nieuwe medische feiten worden afgeleid. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben kennis genomen van informatie van behandelaars van rond de datum in geding en rekening gehouden met afgenomen psychische en fysieke belastbaarheid (waaronder rugklachten), op grond waarvan beperkingen zijn aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren, ten aanzien van fysiek zware inspanningen en een urenbeperking. Uit de in het geding gebrachte informatie volgt niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan van een onjuiste gezondheidssituatie van appellante ten tijde van de datum in geding.
Arbeidskundige beoordeling
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.