Socialezekerheidsrecht
Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 51,44%. Praktische schatting. Feitelijk verrichte arbeid. Geen…
Centrale Raad van Beroep, 24 september 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1262 · Centrale Raad van Beroep · 24 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1262
Zaakgegevens
Op 24 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Datum publicatie
- 29 september 2026
- Zaaknummer
- 25/122 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1262
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 51,44%. Praktische schatting. Feitelijk verrichte arbeid. Geen gecombineerde schatting (praktisch en theoretisch). Ex-werkneemster werkte ten tijde van de beoordeling veertien uur per week als senior therapeut bij een andere werkgever. Het Uwv heeft op basis van een theoretische schatting berekend dat ex-werkneemster 53,34% arbeidsongeschikt is. Een praktische schatting leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 51,44% en op dit percentage is het bestreden besluit gebaseerd. Appellante, de werkgever, stelt in hoger beroep dat ex-werkneemster in staat is om veertig uur per week te werken, maar er zelf voor heeft gekozen om slechts veertien uur te werken. De Raad acht de wijze waarop de arbeidskundige beoordeling is verricht, in overeenstemming met het Schattingsbesluit. In het kader van een praktische schatting kan slechts rekening worden gehouden met verdiensten uit feitelijk verrichte (passende) arbeid. De Raad heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de werkzaamheden van senior therapeut die ex-werkneemster op de datum in geding verrichtte haar belastbaarheid overschrijden. Niet in geschil is dat ex-werkneemster deze werkzaamheden ook al gedurende langere tijd, namelijk meer dan twee jaar, heeft verricht. De Raad kan zich daarom vinden in het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de werkzaamheden passend geacht kunnen worden voor ex-werkneemster. Voor de door appellante geopperde gecombineerde schatting (praktisch en theoretisch) is in het Schattingsbesluit geen basis te vinden.
Uitspraak
25/122 WIA, 25/2211 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 december 2024, 23/8992 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
Stichting GGZ [lokatie] te [plaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[ex-werkneemster] (exwerkneemster)
Datum uitspraak: 24 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van exwerkneemster bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 22 mei 2025 terecht per 2 februari 2021 heeft vastgesteld op 51,44%. Appellante kan zich niet vinden in de wijze waarop de schatting heeft plaatsgevonden. Omdat exwerkneemster feitelijk in een kleinere urenomvang werkte dan waarvoor zij door het Uwv geschikt wordt geacht (veertig uur per week), had het Uwv volgens appellante naast de praktische schatting op basis van de feitelijk gewerkte uren ook een theoretische schatting dienen te verrichten voor de overige 26 uur. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht alleen een praktische schatting heeft verricht en het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft [artsgemachtigde] , artsgemachtigde, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een gewijzigde beslissing op bezwaar van 22 mei 2025.
Namens exwerkneemster heeft mr. S.S. Sewgobind-Bagghoe laten weten dat zij als belanghebbende deel wenst te nemen aan de procedure.
Appellante heeft haar zienswijze gegeven op bestreden besluit 2.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juli 2026. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [artsgemachtigde] . Voor ex-werkneemster is niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.C.A.M. Weterings.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Exwerkneemster heeft voor het laatst gewerkt als GZpsycholoog voor 26,44 uur per week bij appellante. Op 19 februari 2018 heeft zij zich ziekgemeld. Nadat exwerkneemster een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat exwerkneemster bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 februari 2020. De arbeidsdeskundige heeft exwerkneemster ongeschikt geacht voor haar eigen werk en heeft voor haar geschikte functies geselecteerd. Bij besluit van 14 februari 2020 heeft het Uwv exwerkneemster met ingang van 11 februari 2020 een loongerelateerde WGAuitkering (LGU) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 52,30%. Het Uwv heeft de LGU met ingang van 11 februari 2022 omgezet in een WGAloonaanvullingsuitkering.
Op 11 maart 2021 heeft appellante (de exwerkgeefster) het Uwv verzocht om een herbeoordeling van de belastbaarheid van exwerkneemster.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft het Uwv medisch en arbeidskundig onderzoek verricht. Exwerkneemster werkte op dat moment veertien uur per week als senior therapeut bij een andere werkgever. De verzekeringsarts heeft de per 3 februari 2020 voor exwerkneemster vastgestelde belastbaarheid nog steeds actueel geacht en deze vastgelegd in een FML van 17 maart 2023. De verzekeringsarts heeft het standpunt ingenomen dat exwerkneemster ten minste acht uur per dag en veertig uur per week, met uitzondering van de nacht, kan werken. De arbeidsdeskundige heeft op basis van een theoretische schatting berekend dat exwerkneemster 53,34% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 3 april 2023 heeft het Uwv vastgesteld dat exwerkneemster vanaf 29 maart 2023 minder kan werken, maar dat haar WIAuitkering niet wijzigt.
Bij besluit van 13 juli 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 1 in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat exwerkneemster minder beperkt is te achten. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsartsen afdoende hebben gemotiveerd welke beperkingen er zijn als gevolg van ziekte of gebrek. De rechtbank heeft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft – kort weergegeven – aangevoerd dat het Uwv de door exwerkneemster verrichte werkzaamheden als senior therapeut had dienen te betrekken bij de beoordeling nu zij deze werkzaamheden al twee jaar verrichtte. Ook had het Uwv de beperkingen van exwerkneemster beter moeten motiveren.
Het Uwv heeft naar aanleiding van het hoger beroep van appellante nader arbeidskundig onderzoek verricht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 20 mei 2025 vastgesteld dat exwerkneemster nog steeds ongeschikt is te achten voor de maatgevende functie van GZpsycholoog, maar dat de thans verrichte werkzaamheden van senior therapeut voor gemiddeld 12,82 uur per week passend zijn bij de door de verzekeringsarts voor haar vastgestelde belastbaarheid. Deze werkzaamheden kunnen volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep daarom worden gebruikt voor een zogenoemde praktische schatting, een schatting op basis van de gerealiseerde arbeid. De mate van arbeidsongeschiktheid is op basis van deze praktische schatting door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld op 51,44%. De mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de theoretische schatting blijft volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep 53,34%. Bij besluit van 22 mei 2025 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Het Uwv heeft het bezwaar van exwerkneemster alsnog gegrond verklaard, het besluit van 3 april 2023 herroepen voor zover dat ziet op de mate van arbeidsongeschiktheid en de resterende verdiencapaciteit en vastgesteld dat appellante 51,44% arbeidsongeschikt is, met een resterende verdiencapaciteit van € 2.268,60 per maand. Het Uwv heeft de kosten van het bezwaar vergoed aan appellante.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het eens met de omstandigheid dat het Uwv de theoretische schatting heeft verlaten, maar acht de arbeidskundige beoordeling nog steeds ontoereikend. Appellante heeft aangevoerd dat exwerkneemster met inachtneming van beperkingen in staat wordt geacht veertig uur per week te werken, maar er zelf voor gekozen heeft slechts veertien uur per week te werken. Volgens appellante kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn dat bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling slechts rekening gehouden wordt met deze veertien, dan wel gemiddeld 12,82 uur. Zij vindt steun voor haar standpunt in de toelichting bij de wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) en in rechtspraak van de Raad van 3 juni 2016. De eigen keuze van exwerkneemster om minder uren te werken mag volgens appellante niet uitwerken in het nadeel van de exwerkgever die de schadelast draagt. Appellante heeft geopperd dat het Uwv naast de praktische schatting voor de overige 26 uur per week een theoretische schatting verricht.
Exwerkneemster heeft geen aanleiding gezien voor een inhoudelijke reactie.
Het oordeel van de Raad
4. Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 gewijzigd omdat het Uwv in hoger beroep heeft vastgesteld dat een zogenoemde praktische schatting verricht had moeten worden. Daarom komt de aangevallen uitspraak van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking, moet het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond worden verklaard en zal bestreden besluit 1 worden vernietigd. Met bestreden besluit 2 wordt niet geheel tegemoetgekomen aan het beroep van appellante. De Raad zal dit besluit, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrekken. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of bestreden besluit 2 in stand gelaten kan worden.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIAuitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Dit arbeidskundig onderzoek wordt hieronder besproken.
Op grond van artikel 9, aanhef en onderdeel h, van het Schattingsbesluit wordt bij de bepaling van wat iemand nog met arbeid kan verdienen in afwijking van de onderdelen b en f uitgegaan van de arbeid die feitelijk wordt verricht – de praktische schatting – mits dit leidt tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid dan de met toepassing van onderdeel a en artikel 10 – de theoretische schatting op basis van geselecteerde functies – vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.
Volgens vaste rechtspraak, zie onder meer de uitspraak van de Raad van 18 maart 2011 en 20 december 2017, is voor een praktische schatting van belang of de betreffende werkzaamheden passend kunnen worden geacht voor betrokkene en, daarmee samenhangend, of de genoten verdiensten als representatief voor de resterende verdiencapaciteit kunnen worden aangemerkt. Bij dit laatste speelt ook de duurzaamheid van de arbeidsverrichting een rol.
Uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 mei 2025 volgt dat de praktische schatting tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid leidt (51,44%) dan de theoretische schatting (53,34%). De wijze waarop de arbeidskundige beoordeling is verricht, is in overeenstemming met het Schattingsbesluit, waarbij de theoretische schatting weliswaar het uitgangspunt vormt, maar exwerkneemster op grond van de feitelijk door haar verrichte arbeid minder arbeidsongeschikt is. Anders dan appellante heeft betoogd zijn de bewoordingen in het Schattingsbesluit duidelijk. In het kader van een praktische schatting kan slechts rekening worden gehouden met verdiensten uit feitelijk verrichte (passende) arbeid. De Raad heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de werkzaamheden van senior therapeut die exwerkneemster op de datum in geding verrichtte haar belastbaarheid overschrijden. Niet in geschil is dat exwerkneemster deze werkzaamheden ook al gedurende langere tijd, namelijk meer dan twee jaar, heeft verricht. De Raad kan zich daarom vinden in het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de werkzaamheden passend geacht kunnen worden voor exwerkneemster. Voor de door appellante geopperde gecombineerde schatting (praktisch en theoretisch) is in het Schattingsbesluit geen basis te vinden.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 13 juli 2023 wordt gegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 22 mei 2025 wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 51,44% arbeidsongeschikt met een resterende verdiencapaciteit van € 2.268,60 per maand in stand blijft.
5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten worden op grond van Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en op € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de zienswijze op bestreden besluit 2 en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 4.203,-.
6. Ook moet het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 juli 2023 gegrond en vernietigt dit besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 mei 2025 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 4.203,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 944,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en A.I. van der Kris en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) M.G.J. van Eck