Socialezekerheidsrecht
Bezwaar gemaakt in 2023 tegen drie besluiten uit 2008. Appellante stelt onder meer dat zij die besluiten…
Centrale Raad van Beroep, 1 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1337 · Centrale Raad van Beroep · 1 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1337
Zaakgegevens
Op 1 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2026
- Datum publicatie
- 9 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/2513 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1337
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bezwaar gemaakt in 2023 tegen drie besluiten uit 2008. Appellante stelt onder meer dat zij die besluiten nooit heeft gezien. Er kan gelet op het tijdsverloop van bijna 15 jaar niet meer in redelijkheid van het bestuursorgaan worden gevraagd de verzending van de besluiten uit 2008 aannemelijk te maken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante op de hoogte moet zijn geweest van de rechtsgevolgen of in ieder geval de feitelijke gevolgen van de besluiten moet hebben ondervonden. In dit geval geen verschoonbare termijnoverschrijding.
Uitspraak
25/2513 ZW, 25/2515 ZW, 25/2516 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 november 2025, 23/3856, 23/3860, 23/3862 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
SAMENVATTING
Appellante heeft in 2023 bezwaar gemaakt tegen drie besluiten uit 2008. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv het bewaar van appellante terecht nietontvankelijk heeft verklaard omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. Grijpstra, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 augustus 2026. Appellante is via een videoverbinding verschenen, bijgestaan door mr. Grijpstra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Piggelen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Bij besluit van 24 juli 2008 heeft het Uwv appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 1 september 2008 heeft het Uwv de ZWuitkering per die datum beëindigd.
Bij besluit van 18 september 2008 heeft het Uwv een aanvraag van appellante voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) afgewezen.
Appellante heeft op 12 juni 2023 en 22 juni 2023 bezwaar gemaakt tegen de drie besluiten uit 2008.
Bij beslissingen op bezwaar van 14 juli 2023 (bestreden besluiten (1, 2 en 3)) heeft het Uwv het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij te laat bezwaar heeft gemaakt en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat appellante pas na (bijna) vijftien jaar bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten, terwijl zij op de hoogte moet zijn geweest van de rechtsgevolgen en de feitelijke gevolgen moet hebben ondervonden. De enkele ontkenning van de ontvangst van de besluiten brengt daarom in redelijkheid niet met zich mee dat het Uwv de verzending vijftien jaar later nog aannemelijk moet maken. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 september 2024. De rechtbank heeft daarnaast geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante heeft de rechtbank onterecht geoordeeld dat het Uwv de verzending van het besluit vijftien jaar na dato niet langer aannemelijk hoeft te maken. Appellante wist niet dat zij bezwaar moest of kon maken tegen een besluit van het Uwv en heeft de brief waarin dat mogelijkerwijs stond ook nooit gezien. In de uitspraak van de Raad waar door de rechtbank naar is verwezen speelde andere omstandigheden, niet vergelijkbaar met de situatie van appellante, omdat zij niet op de hoogte was van het stoppen van de ZW-uitkering en daarvan ook niet op de hoogte behoorde te zijn. De hoogte van haar inkomen was altijd min of meer gelijk en er is geen periode geweest dat zij geen inkomsten had, naar aanleiding waarvan zij argwaan had moeten krijgen. Appellante kon ook niet zelfstandig beoordelen of ze een ZW, WW- of bijstandsuitkering ontving, of de uitkering correct was en wat de juridische gevolgen daarvan waren. Ze verkeerde daarnaast in zeer lastige sociaal-medische en financiële omstandigheden. Door deze persoonlijke omstandigheden ontbrak het haar aan doen-vermogen. Gelet hierop heeft de rechtbank ook onterecht geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Het standpunt van het UWV
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. Ter zitting is gebleken dat appellante enkel nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep in de zaak met nummer 25/2515 over de beëindiging van de ZW-uitkering. Het doel dat appellante nastreeft met de procedure is het krijgen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, omdat een dergelijke uitkering meer past bij haar situatie sinds 2004 dan een bijstandsuitkering. Gelet hierop zal de Raad enkel het hoger beroep in de zaak met nummer 25/2515 dat betrekking heeft op bestreden besluit 2, inhoudelijk beoordelen.
In geschil is uitsluitend de vraag of appellante tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 1 september 2008.
Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat een betrokkene een besluit heeft ontvangen wanneer een besluit niet aangetekend is verzonden en de ontvangst daarvan door de betrokkene wordt betwist. Een vermoeden van ontvangst van een besluit kan in zo’n geval in beginsel pas worden aangenomen nadat het bestuursorgaan de verzending daarvan aannemelijk heeft gemaakt, waarvoor van belang is of een deugdelijke verzendadministratie wordt gevoerd. Zoals eveneens blijkt uit de rechtspraak van de Raad zijn er echter ook situaties waarin niet meer in redelijkheid van het bestuursorgaan kan worden gevraagd de verzending aannemelijk te maken. Een dergelijke situatie doet zich hier voor nu het (bijna) vijftien jaar heeft geduurd voordat appellante bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante op de hoogte moet zijn geweest van de rechtsgevolgen of in ieder geval de feitelijke gevolgen van de besluiten moet hebben ondervonden. Anders dan appellante heeft aangevoerd, is haar situatie dan ook vergelijkbaar met de uitspraak van de Raad uit 2024 waar ook door de rechtbank naar is verwezen. Uit het dossier blijkt dat de verzekeringsarts tijdens het spreekuur van 30 juli 2008 met appellante heeft besproken dat zij vanaf 1 september 2008 weer kon werken. Gezien de weigering van de WW-uitkering bij besluit van 18 september 2008 moet appellante zelf aansluitend een WW-aanvraag hebben ingediend en heeft zij met betrekking tot deze aanvraag ook gesprekken gehad bij het Uwv. Tot slot heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat appellante voor de bijstandsuitkering die zij ontving gesprekken heeft moeten voeren met de gemeente, waardoor het voor haar duidelijk had moeten zijn dat de uitkering die zij kreeg geen ZW-uitkering betrof. Onder deze omstandigheden brengt de ontkenning door appellante van de ontvangst van het besluit in redelijkheid niet mee dat het Uwv de verzending vijftien jaar later nog aannemelijk moet maken. Appellante heeft ook geen gronden aangevoerd die duiden op problemen die zich destijds zouden hebben voorgedaan met de bezorging van post. Daarbij wordt er ook nog op gewezen dat zich in het dossier brieven bevinden, gericht aan appellante en bestemd voor het correcte adres, met daarin onder meer verzoeken van het Uwv met betrekking tot haar uitkeringen, aan welke verzoeken appellante gevolg heeft gegeven waaruit volgt dat die brieven appellante hebben bereikt.
Anders dan appellante heeft aangevoerd, is in dit geval geen sprake van een geval waarin de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Hoewel de Raad ziet dat appellante ten tijde van de bestreden besluitvorming in lastige omstandigheden verkeerde, is geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding van (bijna) vijftien jaar niet aan appellante kan worden toegerekend. Niet duidelijk is geworden waarom appellante een termijn van (bijna) vijftien jaar ongebruikt heeft laten verstrijken.
Conclusie en gevolgen
Gelet op wat onder 4 is overwogen zal het hoger beroep in de zaken met nummer 25/2513 en 25/2516 niet-ontvankelijk worden verklaard. Uit de overwegingen onder 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep in de zaak met nummer 25/2515 niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover die ziet op de zaak met nummer 25/2515 (bestreden besluit 2). Dit betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand blijft.
6. Voor een vergoeding voor de proceskosten en het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
verklaart het hoger beroep in de zaken met nummer 25/2513 en 25/2516 nietontvankelijk;
-
bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover die ziet op de zaak met nummer 25/2515.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van L. Siebes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.