Socialezekerheidsrecht
Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Geen toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na…
Centrale Raad van Beroep, 7 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1339 · Centrale Raad van Beroep · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1339
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 9 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/2242 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1339
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Geen toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering per 19 april 2020. Zorgvuldig medisch onderzoek.
Uitspraak
25/2242 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 september 2025, 24/7617 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht aan appellant geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat bij appellant met ingang van 7 juni 2022 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 19 april 2020 in de zin van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Appellant vindt dat hij meer (medische) beperkingen door zijn klachten heeft, dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken overgelegd, waarop het Uwv heeft gereageerd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 augustus 2026. Voor appellant is mr. A. Bal, kantoorgenoot van zijn gemachtigde, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van de Graaff.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als portier/toezichthouder/baliemedewerker bij twee werkgevers voor in totaal 43,91 uur per week. Op 30 november 2011 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Bij besluit van 11 oktober 2013 heeft het Uwv appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 27 november 2013 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Per 27 oktober 2015 is de uitkering gewijzigd naar een WGA-loonaanvullingsuitkering. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100%.
Na een herbeoordeling in 2020 heeft het Uwv bij besluit van 18 februari 2020 de WIA-uitkering beëindigd per 19 april 2020 omdat appellant met ingang van 18 februari 2020 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Aan dit besluit lag onder meer een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 januari 2020 ten grondslag. Het daartegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep met de uitspraak van 30 juni 2021 ongegrond verklaard. Met de uitspraak van 2 maart 2023 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Appellant had zich op 1 september 2020 bij het Uwv gemeld met toegenomen psychische en lichamelijke klachten met ingang van 21 augustus 2020. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 21 december 2021 geweigerd appellant een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van appellant (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIAuitkering per 19 april 2020. Het daartegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep met de uitspraak van 20 maart 2023 ongegrond verklaard. Met een uitspraak van 7 december 2023 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Appellant heeft zich op 15 juni 2022 wederom bij het Uwv gemeld met toegenomen psychische en lichamelijke klachten, met ingang van 7 juni 2022. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 30 mei 2023 geweigerd appellant een WIAuitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van appellant (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering per 19 april 2020.
Bij besluit van 24 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts van 17 augustus 2023 en een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 september 2024, alsmede een door het Uwv aangevraagd expertiserapport van Condite van 25 maart 2024 ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.
Het medisch onderzoek van het Uwv is zorgvuldig geweest. Appellant is op een spreekuur gezien door een verzekeringsarts, alwaar een lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, een anamnese is afgenomen, het dossier is bestudeerd en aanvullende medische informatie is opgevraagd. Verder is een expertise bij Condite verricht over de lichamelijke en psychische klachten van appellant. De medische informatie en de uitkomsten van het expertiseonderzoek zijn kenbaar bij de beoordeling betrokken. De rapporten van de verzekeringsartsen bevatten geen tegenstrijdigheden en de conclusies volgen logisch uit de onderzoeksbevindingen.
De rechtbank heeft verder overwogen dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 7 juni 2022 en waarom de FML van 28 januari 2020 nog steeds van toepassing is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft wel erkend dat de klachten die appellant ervaart, zijn toegenomen, maar voldoende gemotiveerd waarom daaruit niet volgt dat meer beperkingen moeten worden aangenomen dan waar reeds in de FML van 28 januari 2020 rekening mee is gehouden. Appellant heeft geen nieuwe medische informatie overgelegd waaruit volgt dat sprake is van meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet is gehouden om alle in de expertise genoemde medicatie over te nemen in diens rapport. Uit het gegeven dat de expertise kenbaar bij de medische beoordeling is betrokken, mag worden geconcludeerd dat ook de gebruikte medicatie daarin is meegenomen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens hem is wel sprake van een geobjectiveerde toename van lichamelijke en psychische beperkingen sinds de beëindiging van de WIA-uitkering per 19 april 2020. Dit volgt niet alleen uit het expertiserapport van Condite, maar ook uit de brieven van de revalidatiearts van 12 november 2024 en maart 2021. Verder volgt volgens appellant uit het gebruik van Oxycodon dat beperkingen hadden moeten worden aangenomen voor beroepsmatig vervoer. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet voldoende gemotiveerd waarom deze aspecten niet leiden tot toegenomen beperkingen voor de belastbaarheid.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft onder verwijzing naar aanvullende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 januari 2026 en 19 augustus 2026 verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer arbeidsongeschikt wordt, als hij op de dag hieraan voorafgaand een mate van arbeidsongeschiktheid had van minder dan 35% en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.
De vraag of sprake is van toegenomen beperkingen gaat vooraf aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. De beantwoording van de vraag of de beperkingen van appellant op 7 juni 2022 zijn toegenomen moet plaatsvinden aan de hand van een vergelijking tussen de beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML van 28 januari 2020, en de beperkingen die zijn vastgelegd naar aanleiding van de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 7 juni 2022.
In geschil is of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat voor appellant per 7 juni 2022 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft op overtuigende wijze gemotiveerd waarom die aanleiding niet is gezien. De gronden waarop het oordeel van de rechtbank berust, worden onderschreven. Naar aanleiding van het hoger beroep wordt hieraan het volgende toegevoegd.
Anders dan appellant heeft betoogd, blijkt uit de expertise van Condite niet dat sprake is van een zodanige toename van fysieke en mentale klachten dat aanleiding bestaat om toegenomen beperkingen aan te nemen. Uit het rapport blijkt weliswaar dat appellant zeer veel fysieke en mentale belemmeringen ervaart, maar zoals blijkt uit de leeswijzer van het rapport betreft dit de subjectieve beleving van de klachten door appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd waarom in het expertiserapport geen aanleiding is gezien voor het aannemen van meer of andere beperkingen.
Uit de brief van de revalidatiearts van 12 november 2024, over de medische situatie van appellant op 27 december 2022, blijkt dat appellant een slecht belastbare rug blijft houden, met name voor statische, schok- en flexiebelasting, dat rugpijn snel onhoudbaar wordt en het been opvlamt bij opvoeren van rugbelastende activiteiten. Verder blijkt daaruit dat de klachten met een injectietraject enigszins verminderd kunnen worden, maar dat de slechte belastbaarheid blijft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met het aanvullende rapport van 19 augustus 2026 voldoende gemotiveerd waarom ook deze brief van de revalidatiearts geen aanleiding vormt voor het aannemen van meer of andere beperkingen dan reeds in de FML van 28 januari 2020 is gedaan. De informatie sluit aan bij de reeds bekende informatie over de rug van appellant. In de FML van 28 januari 2020 is vanwege de slechte belastbaarheid voor schokken al een beperking aangenomen voor trillingsbelasting, ten aanzien van statische belasting zijn al diverse beperkingen aangenomen voor statische houdingen en ten aanzien van de flexiebelasting zijn beperkingen aangenomen voor frequent buigen en gebogen actief zijn. Hiermee is voldoende rekening gehouden met de rugklachten van appellant.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met het aanvullend rapport van 21 januari 2026 ook voldoende gemotiveerd waarom in het gebruik van Oxycodon geen aanleiding is gezien voor het aannemen van een beperking voor beroepsmatig vervoer. Bij dagelijks gebruik is het na een dosisophoging en het bereiken van de onderhoudsdosering twee weken lang niet toegestaan om te rijden. Daarna is rijden toegestaan, mits de bijwerkingen verdwenen zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de beschikbare medische informatie en tijdens het eigen spreekuur geen aanwijzingen gezien dat appellant bijwerkingen ervaart en opgemerkt dat de medicatie zou worden aangepast als zich wel bijwerkingen voor zouden doen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.