Socialezekerheidsrecht
Beëindiging WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en…
Centrale Raad van Beroep, 7 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1347 · Centrale Raad van Beroep · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1347
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 9 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/2318 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1347
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beëindiging WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Uitgaande van de juistheid van de FML van 9 april 2025, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn.
Procesgang
Rechtbank Oost-Brabant · 17 oktober 2025
ECLI:NL:RBOBR:2025:6730Centrale Raad van Beroep · 7 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2026:1347
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
25/2318 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 oktober 2025, 25/1656 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de WIA-uitkering terecht per 15 juli 2024 heeft beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante vindt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. Akkaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 augustus 2026. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als huishoudelijk medewerker voor 9,61 uur per week. Op 20 februari 2017 heeft zij zich ziekgemeld met gezondheidsklachten. Na afloop van de – in verband met een loonsanctie verlengde – wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 6 maart 2020 geweigerd appellante met ingang van 17 maart 2020 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Dit besluit staat met de uitspraak van de Raad van 28 februari 2022 in rechte vast.
Appellante is met ingang van 17 februari 2020 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Per 20 januari 2021 heeft appellante zich ziekgemeld vanuit de WW. Het Uwv heeft met een besluit van 2 maart 2021 geweigerd aan appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen Ook dit besluit staat in rechte vast met de uitspraak van de Raad van 19 januari 2024.
Appellante heeft zich per 16 maart 2022 opnieuw ziekgemeld vanuit de WW. Bij besluit van 8 juli 2022 heeft het Uwv appellante met ingang van 21 maart 2022 een ZWuitkering toegekend. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft een WIAbeoordeling plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat bij appellante per 16 maart 2022 sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na de weigering van de WIA-uitkering per 17 februari 2020, omdat zij vanaf 16 maart 2022 geen benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid had door deelname aan een revalidatietraject per die datum. In verband daarmee heeft het Uwv appellante met een besluit van 13 mei 2024 met ingang van 16 maart 2022 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80-100%. De verzekeringsarts heeft verder vastgesteld dat vanaf 14 maart 2024 sprake is van benutbare mogelijkheden, dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 maart 2024. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante vanaf 14 maart 2024 haar maatgevende arbeid niet meer kan uitvoeren. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies voor appellante geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 14 maart 2024 berekend op 4,04%. Bij besluit van 14 mei 2024 heeft het Uwv de WIAuitkering van appellante beëindigd met ingang van 15 juli 2024 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 19 juni 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar na aanpassing van de mate van arbeidsongeschiktheid naar 9,68% ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 april 2025, een FML van 9 april 2025 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 juni 2025 ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de aanwezige medische informatie en het eigen onderzoek terecht geen reden heeft gezien voor het aannemen van meer of forsere beperkingen vanwege toegenomen klachten. Ten aanzien van de gewichtstoename heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat appellante die klachten op de datum in geding nog niet had en dat zij het medicijn Yuflyma, dat de oedeemklachten verergerde, nog niet gebruikte. Daarom zijn deze klachten bij de beoordeling terecht buiten beschouwing gelaten.
Met betrekking tot de bijwerkingen van haar medicatie (Gabapentine) heeft de rechtbank overwogen dat aannemelijk is dat de algemene ervaringsregel dat bijwerkingen van medicatie binnen enkele weken verdwijnen ook in de situatie van appellante aannemelijk is, omdat appellante geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat die regel in haar geval niet opgaat. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat de overige medicatie die appellante rond de datum in geding gebruikte, geen bijwerkingen als slaperigheid, sufheid, vermoeidheid en oedeem geven.
Met betrekking tot de psychische klachten van appellante als gevolg van de noodzaak van veelvuldig toiletbezoek en de stress die dat veroorzaakt, heeft de rechtbank overwogen dat de klachten voorstelbaar zijn, maar niet zodanig ernstig dat kan worden gesproken van een psychisch ziektebeeld. Appellante heeft voor die klachten geen behandeling gezocht. Alleen op basis van hoe appellante die klachten ervaart, kan niet worden gesproken van geobjectiveerde psychische klachten die tot beperkingen moeten leiden.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat zij meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen. Er is onvoldoende rekening gehouden met haar leeftijd, haar psychische en lichamelijke klachten en de bijwerkingen die zij op de datum in geding ervaarde als gevolg van medicatie, waaronder gewichtstoename, sufheid, slaperigheid, slaapproblemen, een brandend gevoel aan haar handen en voeten en oedeem in haar been. Die klachten staan los van het gebruik van Yuflyma. Het Uwv heeft de klachten van oedeem, gewichtstoename en een brandend gevoel in de handen en voeten ten onrechte niet meegewogen bij de beoordeling. De klachten met betrekking tot de ziekte van Crohn had zij ook al op de datum in geding. Dit blijkt onder andere uit de doorverwijzing naar de MDL-arts in augustus 2024 en de start van medicatie in september 2024. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante behandelverslagen en brieven van medisch specialisten overgelegd, waaronder een neuroloog, MDL-arts, internist, reumatoloog en informatie van de afdeling oogheelkunde en chirurgie. Volgens appellante heeft het Uwv ook onvoldoende rekening gehouden met haar psychische klachten. Ook als geen behandeling is gezocht kan sprake zijn van een relevante psychische stoornis.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft onder verwijzing naar een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellante terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Daaraan ligt het volgende ten grondslag.
Voor zover appellante met de stelling dat het Uwv ten onrechte teruggrijpt naar de belastbaarheid in 2020, heeft willen aanvoeren dat is uitgegaan van een onjuiste datum in geding, slaagt die grond niet. Zowel het Uwv als de rechtbank zijn bij de beoordeling met juistheid uitgegaan van 15 juli 2024 als datum in geding. De verzekeringsartsen hebben de beperkingen op de datum in geding vastgelegd in nieuwe FML’s van 14 maart 2024 en 9 april 2025. Dat de verzekeringsartsen hebben opgemerkt dat de belastbaarheid ten opzichte van de situatie in 2020 niet is veranderd, met uitzondering van beperkingen voor toiletgang en toilet in de buurt, maakt niet dat van een onjuiste datum in geding uit is gegaan.
De stelling van appellante dat de lichamelijke gevolgen van de ziekte van Crohn moeten leiden tot het aannemen van verdergaande beperkingen wordt niet gevolgd.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met diens rapport van 9 april 2025 voldoende gemotiveerd dat de ziekte van Crohn en eosinofiele colitis dezelfde beperkingen geven ten aanzien van werk, en dat met de reeds gestelde beperkingen voor eosinofiele colitis al voldoende rekening wordt gehouden met beperkingen als gevolg van de ziekte van Crohn. Naar aanleiding van door appellante in hoger beroep ingebrachte medische informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend gerapporteerd op 28 juli 2026. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt op dat uit de medische informatie blijkt dat tijdens een colonoscopie in augustus 2024 geen afwijkingen zijn gevonden, maar tijdens een MRI in september 2024 wel. De geconstateerde afwijkingen waren volgens haar echter niet zodanig ernstig of uitgebreid dat dit een medische onderbouwing vormt voor het aannemen van meer of aanvullende beperkingen in de FML van 9 april 2025. Deze motivering acht de Raad toereikend.
Appellante wordt ook niet gevolgd in de stelling dat haar psychische klachten als gevolg van de ziekte van Crohn meer of verdergaande beperkingen moeten opleveren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 9 april 2025 voldoende gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat voor het aannemen van beperkingen op dit punt omdat appellante niet onder behandeling is voor psychische klachten. Hoewel appellante kan worden gevolgd in haar stelling dat het ontbreken van een behandeling voor psychische problemen niet hoeft te betekenen dat geen sprake is van een psychische stoornis, zijn de psychische klachten die appellante ervaart onvoldoende objectiveerbaar. Dat appellante in enige mate spanning en psychische klachten ervaart als gevolg van de noodzaak tot veelvuldig en plotseling toiletgebruik is voorstelbaar, maar dat betekent op zichzelf niet dat sprake is van een zodanig psychisch ziektebeeld dat daarvoor beperkingen aangenomen moeten worden. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische informatie overgelegd op grond waarvan kan worden getwijfeld aan de juistheid van het medische oordeel.
Appellante wordt evenmin gevolgd in de stelling dat haar rugklachten aanleiding geven voor het aannemen van meer of andere beperkingen. In de FML van 9 april 2025 zijn ten aanzien van rugklachten beperkingen aangenomen voor trillingsbelasting, buigen, frequent buigen, duwen en trekken, tillen en dragen tijdens het werk, lopen, lopen tijdens werk, traplopen, klimmen, zitten, zitten tijdens werk, staan, staan tijdens werk, geknield of gehurkt actief zijn, gebogen en/of getordeerd actief zijn en boven schouderhoogte actief zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met haar rapport van 9 april 2025 voldoende gemotiveerd waarom met de gestelde beperkingen in voldoende mate rekening wordt gehouden met de rugklachten van appellante op de datum in geding. Ook ten aanzien van de rugklachten heeft appellante geen medische informatie overgelegd op grond waarvan kan worden getwijfeld aan de juistheid van het medische oordeel.
Wat appellante heeft aangevoerd over een brandend gevoel in haar handen en voeten, oedeem in haar benen, gewichtstoename en bijwerkingen van gebruikte medicatie, geeft ook geen aanleiding voor twijfel aan het medische oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met het rapport van 9 april 2025 en het aanvullende rapport van 28 juli 2026 voldoende gemotiveerd waarom met bovengenoemde klachten geen rekening is gehouden bij de beoordeling van de medische situatie op de datum in geding.
Uit de beschikbare medische informatie, waaronder begrepen de door appellante in hoger beroep ingebrachte behandelverslagen en brieven van medisch specialisten, blijkt niet dat appellante klachten als een brandend gevoel in haar handen en voeten en oedeem in haar been op de datum in geding van 15 juli 2024 al ervaarde. Appellante heeft tijdens de hoorzitting op 2 april 2025 verteld dat zij sinds een maand of 6 á 7 – dus sinds september/oktober 2024 – last heeft van oedeem in haar benen en een brandend gevoel aan haar handen en voeten. Uit een brief van de neuroloog van 21 mei 2025 blijkt dat appellante heeft verteld dat zij de klachten sinds 6 maanden – dus sinds november 2024 – ervaart waarbij de klachten zijn omschreven als een warm gevoel in handen en voeten, roodheid van haar handen en een dik gevoel in haar voeten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt verder nog op dat uit een brief van de neuroloog van 1 juli 2025 blijkt dat ook geen neurologische oorzaak voor de klachten is gevonden.
Verder is niet gebleken dat appellante op de datum in geding al klachten door of van gewichtstoename ondervond. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante tijdens de hoorzitting op 2 april 2025 gezegd dat zij sinds 6 á 7 maanden – dus sinds september/oktober 2024 – was aangekomen in gewicht.
Wat appellante heeft aangevoerd over bijwerkingen van haar medicatie in de vorm van sufheid, slaperigheid en slaapproblemen, geeft ook geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Appellante gebruikte op de datum in geding nog geen Yuflyma, maar wel Gabapentine. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 9 april 2025 voldoende gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat de klachten worden veroorzaakt door het gebruik van Gabapentine, omdat bijwerkingen van medicatie doorgaans binnen een aantal weken verdwijnen en appellante het medicijn op de datum in geding al enkele jaren dagelijks gebruikte. De overige medicijnen die appellante gebruikte op de datum in geding veroorzaken zulke bijwerkingen niet. Appellante heeft het standpunt ingenomen dat de algemene ervaringsregel dat bijwerkingen na verloop van tijd verdwijnen niet voor haar geldt, maar voor de juistheid van die stelling is geen aanwijzing te vinden in de beschikbare medische informatie, waaronder begrepen de door appellante in hoger beroep ingebrachte behandelverslagen en brieven van medisch specialisten.
Arbeidskundige beoordeling
Uitgaande van de juistheid van de FML van 9 april 2025, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering per 15 juli 2024 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) B. Uçurum