Socialezekerheidsrecht
Afwijzing verzoek om terug te komen van weigering Wajonguitkering. Geen nieuwe feiten en/of veranderde…
Centrale Raad van Beroep, 14 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1359 · Centrale Raad van Beroep · 14 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1359
Zaakgegevens
Op 14 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Datum publicatie
- 14 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/935 WAJONG
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1359
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing verzoek om terug te komen van weigering Wajonguitkering. Geen nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden. Stukken hadden eerder kunnen worden ingebracht. Ook geen aanleiding om voor de toekomst van de weigering terug te komen. Uwv had ook moeten beoordelen of appellante jonggehandicapte is geworden in 2013 omdat aanvraag daarop ook betrekking had. Voor oordeel dat beperkingen tussen 18e verjaardag en aanvraagdatum zijn toegenomen zijn geen aanknopingspunten.
Uitspraak
25/935 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 maart 2025, 24/425 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 3 april 2013, waarin het Uwv de aanvraag van appellante om een Wajonguitkering heeft afgewezen. Volgens appellante is sprake van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, dan wel is sprake van toegenomen beperkingen voortvloeiend uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de achttiende verjaardag en dient zij in ieder geval voor de toekomst in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering. De Raad volgt appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 3 april 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Ü. Ögüt, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken overgelegd, waarop het Uwv heeft gereageerd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 september 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] , kantoorgenoot van mr. Ögüt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1992, heeft op 30 januari 2013 voor het eerst verzocht om toekenning van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 3 april 2013 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen omdat geen sprake is van verminderde mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek.
Met een door het Uwv op 16 augustus 2013 ontvangen formulier heeft appellante opnieuw een Wajong-aanvraag ingediend. Met een besluit van 11 oktober 2013 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 3 april 2013. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat het besluit van 3 april 2013 onjuist zou zijn.
Appellante heeft met een door het Uwv op 30 maart 2023 ontvangen formulier nogmaals een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wajong. Daarbij heeft appellante vermeld dat zij altijd te veel pijn heeft om alleen voor haar kinderen of het huishouden te zorgen en dat zij het huishouden en de boodschappen samen moet doen met haar partner. Het Uwv heeft vervolgens een sociaal-medische beoordeling verricht, waarbij appellante op het spreekuur is gezien. Geconcludeerd is dat inmiddels de diagnoses fibromyalgie, prikkelbaar darmsyndroom en hidradenitis suppurativa zijn gesteld, maar dat deze aandoeningen dateren van na de voor de Wajong relevante periode. Met een besluit van 19 april 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd terug te komen van de eerdere besluiten van 3 april 2013 en 11 oktober 2013. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het bezwaar van appellante onderzoek verricht en geconcludeerd dat, ondanks dat in 2013 (en eerder) nog geen diagnose was gesteld ten aanzien van de pijnklachten in verscheidene gewrichten, het hoogstwaarschijnlijk is dat deze ook reeds in 2013 te wijten waren aan fibromyalgie. Hierbij is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep passend dat bij onderzoek geen objectieve afwijkingen kunnen worden geobjectiveerd. Het stellen van een (nieuwe) diagnose op een reeks bekend feitencomplex is geen novum, zodat geen reden bestaat om voor het verleden terug te komen van de besluiten van 3 april 2013 en 11 oktober 2013. Wel is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in 2013 (en ook reeds per 2010) onvoldoende rekening gehouden met de belastbaarheid van appellante, zodat alsnog een zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is opgesteld. Uit het arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar is vervolgens naar voren gekomen dat appellante met haar beperkingen functies kan verrichten en dat haar mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 0%. Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de medische problematiek van appellante binnen vijf jaar na [geboortedatum] 2010 wezenlijk is gewijzigd waardoor een beoordeling van toegenomen beperkingen niet aan de orde is.
Bij besluit van 11 december 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 april 2023 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd heeft toegelicht dat de door appellante ingebrachte informatie over de beoordeling op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) niet is aan te merken als een nieuw feit of veranderde omstandigheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat uit het document geen andere medische feiten naar voren komen, maar slechts een andere indicatie wordt gesteld voor de belastbaarheid op dat moment. Uit vaste rechtspraak blijkt dat aan een dergelijke indicatie geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend, omdat bij toelating tot de doelgroep van de WSW een ander toetsingskader wordt gehanteerd dan bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Ook is volgens de rechtbank de informatie van het Maxima Medisch Centrum geen nieuw feit die maakt dat moet worden teruggekomen van de besluiten van 3 april 2013 en 11 oktober 2013.
Ook bestaat er volgens de rechtbank geen aanleiding om de besluiten uit 2013 voor de toekomst te herzien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om een FML op te stellen en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aan de hand daarvan functies geselecteerd. Het Uwv heeft vervolgens geconcludeerd dat er voor de toekomst ook geen recht bestaat op een Wajong-uitkering, omdat appellante op haar achttiende verjaardag minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
De rechtbank heeft in de standpunten van appellante geen aanknopingspunten gezien om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze komt in zijn rapport van 13 oktober 2023 tot de conclusie dat appellante in de periode van 2009 tot 2013 diverse specialisten heeft bezocht vanwege pijnklachten in de lage rug en beide heupen. Bij lichamelijk onderzoek is herhaaldelijk een goede beweeglijkheid van de rug en heupen geconstateerd, hoewel de bewegingen pijnlijk waren. Bij onderzoek naar spieren en gewrichten zijn geen afwijkingen gevonden. De door appellante beschreven pijnklachten passen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het beeld van fibromyalgie. Hierbij wordt geadviseerd om in beweging te blijven omdat hiermee een verdere achteruitgang van conditie kan worden tegengegaan en inactiviteit de klachten zou kunnen verergeren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante daarom wel beperkt geacht voor zwaardere fysieke belasting, zoals zwaar tillen en dragen, frequent buigen, trappenlopen, lopen tijdens het werk en staan tijdens het werk. Geen aanleiding bestaat voor een urenbeperking, omdat er geen medische noodzaak is om te rusten. Dat appellante verdergaand beperkt moet worden geacht, is niet onderbouwd met medische stukken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een zorgvuldig onderzoek verricht naar de beperkingen van appellante en geconcludeerd dat uit de beschikbare (medische) informatie geen andere beperkingen voor appellante blijken. Ook heeft de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd dat voor een urenbeperking een medische onderbouwing ontbreekt. In dit verband heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht opgemerkt dat uit het revalidatiedossier uit 2009 blijkt dat het nemen van rustmomenten geen aantoonbare invloed had op het verloop van de pijnklachten bij appellante. Voor het gebruik van medicatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML beperkingen opgenomen bij het onderdeel ‘persoonlijk risico’, namelijk voor beroepsmatig vervoer. Verder bevat het medisch dossier van appellante geen aanwijzingen dat zij niet in staat zou zijn om met het openbaar vervoer te reizen, zodat geen aanleiding bestaat appellante voor ‘vervoer’ te beperken. Het standpunt van appellante dat zij beperkt is in het vasthouden van de aandacht heeft zij niet onderbouwd met medische informatie. Deze beperkingen worden alleen gesteld als er aanwijzingen zijn voor ernstige psychiatrische problematiek of een cognitieve stoornis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht gesteld dat hiervan in de relevante periode geen sprake is. Ook heeft appellante geen medische informatie overgelegd waaruit volgt dat er beperkingen moeten worden gesteld voor temperatuurverschillen in verband met de darm- en huidklachten. Terecht heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat niet is vast te stellen dat deze klachten al speelden in de relevante periode, omdat deze klachten niet vermeld staan in de gegevens van de huisarts. Omdat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel, zoals neergelegd in de FML, zijn de daarop gebaseerde functies geschikt voor appellante.
Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante geen bewijs heeft aangedragen dat haar beperkingen in de vijf jaar vanaf haar achttiende verjaardag zijn toegenomen. De WSW-indicatie bevat geen medische feiten waaruit toegenomen beperkingen blijken. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht vastgesteld dat in 2014 door de behandelend psycholoog melding is gemaakt van een stemmingsstoornis en noodzaak voor behandeling, maar dat er geen aanwijzingen zijn dat deze aandoening al op haar achttiende leeftijd bestond. Dit is wel nodig om vast te stellen dat de beperkingen zijn toegenomen sinds de achttiende leeftijd. Appellante is in 2009 ook al doorverwezen naar een psycholoog, maar dat was in het kader van revalidatie voor haar pijnklachten. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat er toen al aanwijzingen waren voor een stemmingsstoornis.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft herhaald dat sprake is van nova op grond waarvan voor het verleden moet worden teruggekomen van de besluiten uit 2013. In ieder geval zou voor de toekomst moeten worden teruggekomen van de besluiten uit 2013. In dit verband heeft appellante opnieuw aangevoerd dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen en zodoende ten onrechte functies zijn geselecteerd. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat ten onrechte is geoordeeld dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Verzoek om terug te komen naar het verleden
Het Uwv heeft op het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 3 april 2013 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
Appellante heeft aangevoerd dat de informatie uit 2009 van het Maxima Medisch Centrum en het in beroep en in hoger beroep overgelegde medicatieoverzicht dat betrekking heeft op de periode van 30 november 2012 tot en met 22 juli 2013 als nieuw gebleken feiten moeten worden aangemerkt.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. De stukken die appellante als nieuwe feiten heeft aangevoerd, had appellante eerder, ten tijde van haar eerste aanvraag, kunnen overleggen. Bovendien was het gebruik van Tramadol en Arthrotec bij de beoordeling in 2013 al bekend. Dit betekent dat deze stukken geen nova zijn als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat voor het Uwv geen aanleiding bestond om voor het verleden terug te komen van het besluit van 3 april 2013.
Verzoek om terug te komen voor de toekomst
Ook het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat geen aanleiding bestaat om voor de toekomst terug te komen van het besluit van 3 april 2013, wordt gevolgd. De overwegingen van de rechtbank hierover worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd. Het Uwv heeft in bezwaar aanleiding gezien om alsnog in het kader van de duuraanspraak een inhoudelijke beoordeling uit te voeren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toereikend gemotiveerd dat het hierbij uitsluitend gaat om de beperkingen als gevolg van de reeds bekende pijnklachten in de rug, heupen en gewrichten, die nadien zijn gediagnosticeerd als fibromyalgie. De stelling van appellante dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar beperkingen, geldend op [geboortedatum] 2010 (de dag dat zij achttien jaar werd) heeft onderschat, heeft zij niet met objectieve medische gegevens onderbouwd. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet op de actuele situatie van appellante, zodat daarmee terecht geen rekening is gehouden.
Toegenomen beperkingen
Voor deze beoordeling is van belang dat de eerste Wajong-aanvraag van appellante van 30 januari 2013 (waarop is beslist met het besluit van 3 april 2013) een laattijdige aanvraag betrof. Appellante is op [geboortedatum] 2010 immers achttien jaar geworden. Bij de beoordeling van die aanvraag heeft het Uwv getoetst of appellante op grond van artikel 2:3, eerste lid, aanhef onder a, van de Wajong op achttienjarige leeftijd is aan te merken als jonggehandicapte. Het Uwv heeft toen vastgesteld dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden hiervoor. Het is echter vaste rechtspraak dat het Uwv in het geval van een laattijdige aanvraag in het kader van hoofdstuk 2 van de Wajong bij een ingezetene die geen jonggehandicapte is in de zin van artikel 2:3, eerste lid, van de Wajong ook moet beoordelen of de betrokkene alsnog jonggehandicapte is geworden op grond van artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong. Dat deze beoordeling in 2013 – ten onrechte – niet is verricht, neemt niet weg dat de aanvraag van 30 januari 2013 daarop wel (mede) betrekking had. Aangezien appellante met haar aanvraag van 30 maart 2023 verzoekt om terug te komen van de beslissing op haar aanvraag van 30 januari 2013, is daarbij – voor wat betreft de periode tot en met 30 januari 2013 – het beoordelingskader van toepassing waarbinnen het Uwv de aanvraag van 23 juli 2013 destijds had dienen te beoordelen: dit is hoofdstuk 2 van de Wajong. Het bepaalde in artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong staat daaraan in zoverre niet in de weg.
Voor wat betreft de periode na 30 januari 2013 (tot en met [geboortedatum] 2015) is de aanvraag van 30 maart 2023 aan te merken als een eerste aanvraag. Gelet op het bepaalde in artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong is daarop de beoordelingssystematiek van hoofdstuk 1a van de Wajong van toepassing. De hier in geding zijnde aanvraag van appellante is immers ingediend na 1 januari 2015.
Aanspraken op grond van artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong?
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 13 oktober 2023 geconcludeerd dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de medische problematiek van appellante binnen vijf jaar na [geboortedatum] 2010 wezenlijk is gewijzigd. Appellante heeft in dit verband gewezen op de WSW-beoordeling uit 2014. Hierover heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gerapporteerd dat in het document van de WSW-beoordeling geen andere medische feiten naar voren komen, maar dat er een andere conclusie wordt getrokken met betrekking tot de belastbaarheid op dat moment. Een beoordeling in het kader van een WSW-indicatie is hierbij niet gelijk te stellen aan een beoordeling in het kader van de mate van arbeidsongeschiktheid. Nu concrete medische stukken ontbreken waaruit een toename van beperkingen in de periode van [geboortedatum] 2010 tot 30 januari 2013 kan worden afgeleid, heeft de Raad geen aanknopingspunten om de toelichting en de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten.
Aanspraken op grond van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong?
De aanspraken van appellante over de periode na 30 januari 2013 tot [geboortedatum] 2015 worden beoordeeld op grond van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong. Zoals hiervoor onder 5.7 overwogen, wordt de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in het standpunt dat geen sprake is van toegenomen beperkingen in de periode tussen 30 januari 2013 en [geboortedatum] 2015. Gelet op de vaststelling dat geen sprake is van toegenomen beperkingen is appellante ook niet op grond van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong alsnog jonggehandicapte geworden.
Omdat niet wordt getwijfeld aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, bestaat er geen aanleiding om tot benoeming van een deskundige over te gaan.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van de besluiten van 3 april 2013 en 11 oktober 2013 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. De Vries, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
(getekend) D.S. De Vries
(getekend) A.N. Bechinka