Socialezekerheidsrecht

Uitnodiging voor de hoorzitting in bezwaar te laat verstuurd. Dit gebrek kan met toepassing van artikel 6:22…

Centrale Raad van Beroep, 15 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
25/2115 WMO15
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1368
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Uitnodiging voor de hoorzitting in bezwaar te laat verstuurd. Dit gebrek kan met toepassing van artikel 6:22 Awb worden gepasseerd. Het college is geen dwangsommen verschuldigd. Dat appellante geen recht heeft op een vergoeding van de proceskosten is niet meer in geschil.

Uitspraak

25/2115 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 september 2025, 24/8171 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

SAMENVATTING

De Raad oordeelt dat de uitnodiging voor de hoorzitting te laat aan appellante is verstuurd. Dat leidt evenwel niet tot een vernietiging van het bestreden besluit, omdat appellante niet door dit gebrek is benadeeld. Verder oordeelt de Raad dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college geen dwangsommen is verschuldigd. Tot slot is niet meer in geschil dat appellante geen recht heeft op een vergoeding van de proceskosten.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak, via videobellen, behandeld op een zitting van 10 september 2026. Voor appellante is [gemachtigde] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van den Buijs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Bij besluit van 25 maart 2024 heeft het college aan appellante maatwerkvoorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) verstrekt, bestaande uit huishoudelijke ondersteuning in de vorm van zorg in natura en dagbesteding, inclusief vervoer, voor de periode van 25 maart 2024 tot en met 23 maart 2025. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

1.2.

Bij brief van 30 juli 2024, door het college ontvangen op 1 augustus 2024, heeft appellante het college in gebreke gesteld, omdat nog geen beslissing op het bezwaar was genomen.

1.3.

Met het besluit van 13 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 maart 2024 gegrond verklaard en is aan appellante huishoudelijke ondersteuning met een omvang van in totaal 3 uur en 14 minuten per week en dagbesteding 5 tot 6 dagdelen per week, inclusief vervoer, verstrekt. Het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar heeft het college afgewezen omdat geen sprake is beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

1.4.

Bij besluit van 20 augustus 2024 heeft het college naar aanleiding van de ingebrekestelling van 30 juli 2024 aan appellante bericht dat aan haar geen dwangsom is verschuldigd, omdat het bestreden besluit is genomen binnen twee weken na ontvangst van deze ingebrekestelling op 1 augustus 2024.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat de beroepsgrond dat appellante in bezwaar niet is gehoord, niet slaagt. Appellante is uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting en gezien de omstandigheden van dit geval acht de rechtbank een termijn van zes dagen waarbinnen de hoorzitting zou plaatsvinden na deze uitnodiging, niet onredelijk. De rechtbank heeft verder appellante niet gevolgd in haar stelling dat het besluit van 25 maart 2024 een herziening is van een besluit van 19 februari 2024. Daartoe is overwogen dat het besluit van 25 maart 2024 is gevolgd op een melding van 4 maart 2024, waarna een huisbezoek heeft plaatsgevonden op 11 maart 2024 en een ondersteuningsverslag op 20 maart 2024 door de gemachtigde van appellante voor gezien is ondertekend. Los van het feit dat er geen ingebrekestelling is voor deze aanvraag is een dwangsom niet aan de orde omdat tijdig is beslist op de aanvraag. Voor zover appellante heeft gesteld dat in het bestreden besluit niet is beslist over de verschuldigdheid van een dwangsom voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar, heeft het college op 20 augustus 2024 daarover een besluit genomen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een dwangsom ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat het college terecht het verzoek om vergoeding van kosten in de bezwaarprocedure heeft afgewezen, omdat de door de gemachtigde verrichte werkzaamheden niet kunnen worden aangemerkt als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in het Bpb.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt de aangevallen uitspraak aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden in stand blijft. Wel krijgt appellante haar griffierecht vergoed. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Horen in bezwaar

4.1.

Anders dan de rechtbank acht de Raad de termijn van zes dagen tussen de uitnodiging voor de hoorzitting die bij brief van 6 augustus 2024 is verstuurd en de datum van de telefonische hoorzitting op 12 augustus 2024, te kort. Al vaker heeft de Raad geoordeeld dat, hoewel in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen termijn is genoemd voor het uitnodigen voor de hoorzitting, uit het bepaalde in artikel 7:4, eerste lid, van de Awb – waarin is geregeld dat belanghebbenden tot tien dagen voor het horen nadere stukken kunnen indienen – volgt dat deze termijn in elk geval langer dan tien dagen moet zijn. Vaststaat dat het college in dit geval niet aan deze termijn heeft voldaan. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het college bij de uitnodiging voor de hoorzitting in strijd met artikel 7:2 van de Awb een te korte termijn in acht heeft genomen.

4.2.

De Raad ziet hierin geen aanleiding om de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen. Het gebrek kan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, nu aannemelijk is dat appellante daardoor niet is benadeeld. In beroep en hoger beroep heeft appellante voldoende gelegenheid gehad om haar standpunten naar voren te brengen.

Omvang maatwerkvoorziening

4.3.

De grond van appellante waarin zij stelt dat de omvang van de huishoudelijke hulp van een uur per week niet voldoende is, ziet niet op de thans in geding zijnde verstrekking van huishoudelijke hulp met een omvang van 3 uur en 14 minuten per week. Deze grond slaagt daarom niet.

Dwangsom

4.4.

De gronden van appellante waarin zij stelt dat het college haar dwangsommen is verschuldigd, vormen een herhaling van hetgeen bij de rechtbank is aangevoerd. De Raad volgt de rechtbank in zijn oordeel hierover en verwijst naar de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt daaraan het volgende toe. Appellante heeft gesteld dat het bestreden besluit niet binnen twee weken na de ingebrekestelling van 30 juli 2024 aan haar is verstuurd, omdat zij dat besluit pas op 23 augustus 2024 heeft ontvangen. Ter onderbouwing daarvan heeft zij verwezen naar de gegevens van een track and trace code van Post NL. Het college heeft evenwel onweersproken gesteld dat die track and trace code niet behoort bij de verzending van het bestreden besluit, maar bij die van het besluit van 20 augustus 2024. Het college heeft verder voldoende aannemelijk gemaakt dat het bestreden besluit tijdig aan appellante aangetekend is verzonden. Het college is dan ook in zoverre geen dwangsom verschuldigd. De Raad ziet verder, evenals de rechtbank, ook geen aanleiding voor het verbeuren van een dwangsom ter uitvoering van deze uitspraak, zoals door appellante is verzocht.

Vergoeding proceskosten

4.5.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet meer in geschil is dat appellante niet in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar. Wat appellante overigens in dit verband nog heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking. Het verzoek van de gemachtigde om de parkeerkosten in beroep te vergoeden, wordt afgewezen omdat dat geen proceskosten zijn als bedoeld in het Bpb.

Conclusie en gevolgen

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd, met verbetering van gronden, omdat de rechtbank geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en het college geen dwangsommen is verschuldigd.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Appellante krijgt wel het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • bepaalt dat het college aan appellante het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 194,00,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.

(getekend) B. Serno

(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:17

1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.

3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

4. Indien de aanvraag elektronisch kon worden gedaan, is artikel 4:3a van overeenkomstige toepassing op de ingebrekestelling.

5. Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op.

6. Geen dwangsom is verschuldigd indien:

a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,

b. de aanvrager geen belanghebbende is, of

c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

7. Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.

Artikel 7:2

1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

2. Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Artikel 7:4

1. Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen.

2. Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage.

3. Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen.

4. Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.

5. Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het tweede lid achterwege worden gelaten.

6. Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.

7. Gewichtige redenen zijn in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet open overheid de verplichting bestaat een verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.

8. Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een gemachtigde die hetzij advocaat hetzij arts is.

Besluit proceskosten bestuursrecht

Artikel 1

Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

b. kosten van een getuige of deskundige die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,

c. kosten van een tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen,

d. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende,

e. verletkosten van een partij of een belanghebbende,

f. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en

g. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.

Uitspraak van 25 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:442. Artikel 1 van het Bpb en de Bijlage bij het Bpb.