Socialezekerheidsrecht

De Raad verklaart zich onbevoegd. De rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening…

Centrale Raad van Beroep, 17 februari 2026

Zaakgegevens

Op 17 februari 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17 februari 2026
Datum publicatie
25 februari 2026
Zaaknummer
24/2796 PW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:193
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De Raad verklaart zich onbevoegd. De rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

24/2796 PW, 25/125 PW, 25/126 PW, 25/127 PW, 25/128 PW, 25/129 PW, 25/130 PW, 25/131 PW, 25/132 PW, 25/134 PW, 25/135 PW, 25/136 PW, 25/137 PW

Datum uitspraak: 17 februari 2026

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2024, 24/7033, 24/7681, 24/7682, 24/7683, 24/7684, 24/7685, 24/7686, 24/7687, 24/7688, 24/7689, 24/7690, 24/7691, 24/7692 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank de verzoeken van appellant om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb, is bepaald dat tegen een uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel 8:84, eerste lid, van de Awb, geen hoger beroep kan worden ingesteld.

Verder is niet gesteld, noch gebleken dat sprake is van feiten en omstandigheden die een doorbreking van het wettelijk appèlverbod in het hier voorliggende geval (te weten: een hoger beroep tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank) zouden kunnen rechtvaardigen.

De Raad is dan ook kennelijk onbevoegd om van het door appellant ingestelde hoger beroep kennis te nemen, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.

(getekend) M. Wolfrat

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.