Socialezekerheidsrecht

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.

Centrale Raad van Beroep, 5 maart 2026

Zaakgegevens

Op 5 maart 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
5 maart 2026
Datum publicatie
11 maart 2026
Zaaknummer
25/349 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:259
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 22 januari 2025

    ECLI:NL:RBZWB:2025:386
  2. Centrale Raad van Beroep · 5 maart 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:CRVB:2026:259

    Overig

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/349 WIA

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 januari 2025, 23/3639 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam] B.V. te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 maart 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. V.A.M. Vos, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend en op 14 januari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.

Het Uwv heeft te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 januari 2026 volledig aan haar bezwaren tegemoet is gekomen. Omdat het Uwv door de rechtbank al is veroordeeld tot vergoeding van de kosten van beroep en het Uwv in het besluit van 14 januari 2026 al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase, moet de Raad alleen nog oordelen over de in hoger beroep gemaakte kosten.

Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 934,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 934,-).

Ook dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 934,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 579,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) M.G.J. van Eck