Socialezekerheidsrecht
Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige…
Centrale Raad van Beroep, 1 april 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:369 · Centrale Raad van Beroep · 1 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-369
Zaakgegevens
Op 1 april 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 april 2026
- Datum publicatie
- 2 april 2026
- Zaaknummer
- 25/890 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:369
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Uitspraak
25/890 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/890 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 april 2025, 24/3975 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 april 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 13 juni 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante vindt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat zij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet kan vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Türk, advocaat, hoger beroep ingesteld en de gronden van het hoger beroep ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 februari 2025. Voor appellante is mr. Türk verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerkster / magazijnmedewerkster voor 38,75 uur per week. Op 15 juni 2020 heeft zij zich ziekgemeld met pijnklachten en psychische klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 april 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante berekend op 12,17%. Het Uwv heeft bij besluit van 4 oktober 2023 (primair besluit) geweigerd appellante met ingang van 13 juni 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 12 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante juist is weergegeven in de FML van 4 april 2023. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de primair geselecteerde functies onverminderd geschikt zijn voor appellante en het arbeidsongeschiktheidspercentage ongewijzigd vastgesteld op 12,17%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek door de (verzekerings)artsen voldoende zorgvuldig is geweest. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie heeft gemist of dat niet alle medische informatie is betrokken bij de beoordeling. Evenmin is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep te weinig tijd heeft genomen voor het onderzoek, om met appellante in gesprek te gaan, haar haar verhaal te laten doen of dat zij niet serieus werd genomen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de (verzekerings)artsen afdoende gemotiveerd waarom geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden en dus een FML is opgesteld. De rechtbank ziet geen reden voor de conclusie dat de beperkingen in verband met de rug-, schouder- en heupklachten daarin onvoldoende zijn vertaald. Ook de toelichting met betrekking tot de jeuk acht de rechtbank voldoende. De rechtbank heeft verder geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de verzekerings(artsen) de psychische klachten van appellante hebben onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tot slot afdoende gemotiveerd dat er geen medische reden is voor het aannemen van een urenbeperking. Omdat de rechtbank niet twijfelt aan de conclusies van de (verzekerings)artsen, ziet zij geen aanleiding voor het raadplegen van een deskundige. Daarbij is overwogen dat er geen reden is om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de arbeidsdeskundigen afdoende gemotiveerd waarom deze functies geschikt zijn voor appellanten en haar belastbaarheid niet overschrijden.
Het standpunt van appellante
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante is het onderzoek van de (verzekerings)artsen onzorgvuldig geweest. Het enkele feit dat er vragen zijn gesteld en beantwoord, wil niet zeggen dat de juiste vragen zijn gesteld of dat de manier van vragen stellen zodanig was dat appellante zich op haar gemak voelde deze vragen te beantwoorden. In de situatie van appellante zijn er objectiveerbare medische gegevens die nopen tot het aannemen van meer beperkingen. Dit kan alleen als sprake is van een intrinsieke bereidheid bij de (verzekerings)artsen om die te onderzoeken en te benoemen. Appellante stelt dat haar psychische klachten en de beperkingen die zij als gevolg daarvan ondervindt, worden gebagatelliseerd. Er is sprake van ernstige problematiek, ernstige somberheid en slapeloosheid. Dat zij rond de datum in geding hiervoor geen behandeling onderging, wil niet zeggen dat er geen andere intensievere behandeling was geïndiceerd. Door het systeem van de zorgverzekering kon echter geen behandeling worden gestart. Uit het huisartsenjournaal blijkt dat sprake is van ernstige depressie en ernstige psychische problematiek, een aandoening waarbij de energiehuishouding is verstoord. Vermoeidheid, lusteloosheid en futloosheid zijn daarvan symptomen. De geselecteerde functies zijn ongeschikt voor appellante.
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIAuitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak gemotiveerd besproken en afgewezen en appellante heeft in hoger beroep geen medische of andere gegevens in het geding gebracht die aanleiding geven anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Appellante heeft aangevoerd dat haar klachten worden gebagatelliseerd. Hoewel de Raad begrijpt dat voor appellante voorop staat wat zij zelf voelt en ervaart, gaat het bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, zoals hier aan de orde, om beperkingen die een medischobjectiveerbaar gevolg zijn van ziekte. De subjectieve beleving is daarom niet doorslaggevend. Zonder afbreuk te willen doen aan de door appellante ervaren impact van haar klachten op het dagelijks leven, ziet de Raad in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Het Uwv ontkent niet dat appellante veel klachten heeft en beperkingen ervaart. Daarom is er per datum in geding ook een FML opgesteld waarin de arbeidsbeperkingen van appellante zijn neergelegd. Een medisch-objectieve onderbouwing voor het aannemen van aanvullende beperkingen is niet gebleken.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante per 13 juni 2022 een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) S.P.A. Elzer