Socialezekerheidsrecht

Intrekking van bijstand. Verplaatsing hoofdverblijf. Eigen verklaring. Het woonadres wijzigt in beginsel niet…

Zaakgegevens

Op 17 maart 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17 maart 2026
Datum publicatie
2 april 2026
Zaaknummer
23/2185 PW-PV
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:381
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Intrekking van bijstand. Verplaatsing hoofdverblijf. Eigen verklaring. Het woonadres wijzigt in beginsel niet als de woonsituatie wordt gewijzigd met de bedoeling om dit tijdelijk te doen. Van een dergelijke wijziging is geen sprake. Appellant is nooit meer naar zijn woning teruggekeerd. Appellant heeft zijn hoofdverblijf verplaatst naar het adres van zijn oma.

Uitspraak

23/2185 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 juni 2023, 23/459 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

Datum uitspraak: 17 maart 2026

Zitting heeft: P.W. van Straalen

Griffier: B.F.C. Wiedenhof

Voor appellant is mr. R. Kaya, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P. Hageman en B.H. Nijland.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Deze zaak gaat over een intrekking van bijstand per 1 juli 2022. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant niet meer op het bij het college bekende adres (het uitkeringsadres) maar op het adres van zijn oma zijn hoofdverblijf had en zijn inkomen hoger was dan de na de verhuizing van toepassing zijnde kostendelersnorm. Het college baseert zich daarbij vooral op een door appellant afgelegde verklaring.

Appellant voert aan dat hij zijn hoofdverblijf niet heeft verplaatst. Hij kon niet op het uitkeringsadres verblijven vanwege een lekkage die moest worden verholpen. Het was zijn bedoeling weer terug te keren naar de woning op het uitkeringsadres. Het verblijf bij zijn oma was dan ook als tijdelijk bedoeld. De verklaring die hij heeft ondertekend heeft hij ondertekend vanuit de vooronderstelling dat dit om een intentieverklaring ging, waarbij het college hem een oude schuld zou kwijtschelden. Hij mag niet aan deze verklaring worden gehouden.

In het algemeen mag ervan worden uitgegaan dat de tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring juist is. Dit is vaste rechtspraak. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512. Dat is hier niet anders. De enkele stelling van appellant dat hij dacht iets anders te ondertekenen, en dat hij de dag ervoor zijn hoofd had gestoten, vormt geen aanleiding om van die vaste rechtspraak af te wijken. Bovendien is ook niet in geschil dat, zoals appellant heeft verklaard, hij per 1 juli 2022 uit de woning op het uitkeringsadres is vertrokken en daar nooit meer is teruggekeerd. Ook niet in geschil is dat hij al zijn bezittingen, met uitzondering van een koelkast die hij aan zus heeft gegeven, heeft meegenomen naar zijn oma, waar hij vanaf dat moment feitelijk verbleef.

In geschil is of appellant daarmee ook zijn hoofdverblijf heeft verplaatst naar het adres van zijn oma. Het woonadres van een betrokkene is het adres van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het woonadres wijzigt in beginsel niet als de woonsituatie wordt gewijzigd met de bedoeling om dit tijdelijk te doen. Dit is het geval als de wijziging van korte duur is en verband houdt met het tijdelijk niet of niet goed kunnen bewonen van de eigen woning, bijvoorbeeld wegens een renovatie. En de betrokkene moet na die – korte – periode in zijn woning zijn teruggekeerd. Dit is anders als er aanwijzingen zijn dat de betrokkene zich in die periode ergens anders heeft gevestigd. Dit is vaste rechtspraak (vergelijk de uitspraak van 23 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:584).

Van een wijziging als hiervoor bedoeld is geen sprake. De genoemde vaste rechtspraak gaat alleen al niet op omdat appellant nooit meer naar zijn woning is teruggekeerd.

Appellant heeft zijn hoofdverblijf verplaatst naar het adres van zijn oma. Daar had hij al zijn spullen staan en daar verbleef hij feitelijk ook. Daar lag het zwaartepunt van zijn feitelijke leven.

Op appellant was daarom vanaf 1 juli 2022 de kostendelersnorm van toepassing.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking van de bijstand in stand blijft.

Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant ook geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) B.F.C. Wiedenhof (getekend) P.W. van Straalen