Socialezekerheidsrecht
Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor babyspullen. Geen bijzondere omstandigheden. Reserveren…
ECLI:NL:CRVB:2026:764 · Centrale Raad van Beroep · 2 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-764
Zaakgegevens
Op 2 juni 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 juni 2026
- Datum publicatie
- 11 juni 2026
- Zaaknummer
- 24/959 PW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:764
Samenvatting
Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor babyspullen. Geen bijzondere omstandigheden. Reserveren. Herhaling beroepsgronden. De grond die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd dat zij niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van de baby-uitzet en het babypakket is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. Appellante heeft haar standpunt dat zij niet kon reserveren in beroep en hoger beroep niet (alsnog) onderbouwd met controleerbare en verifieerbare gegevens. Zij is ook niet ter zitting bij de rechtbank en de Raad verschenen om haar standpunt toe te lichten.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/959 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 april 2024, 23/6890 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 2 juni 2026
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een baby-uitzet en een babypakket. De vraag is of er in het geval van appellante bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college aan haar bijzondere bijstand voor deze kosten had moeten toekennen. Net als de rechtbank oordeelt de Raad dat dit niet het geval is, zodat het college de aanvraag van appellante terecht heeft afgewezen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 april 2026. Appellante en haar gemachtigde zijn, ondanks oproeping, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante ontving sinds 5 oktober 2022 bijstand op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Sinds 22 januari 2021 staan de goederen van appellante onder bewind.
Op 14 juni 2023 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor een babyuitzet en babypakket ter waarde van € 1.000,-. Appellante was op dat moment in verwachting van haar derde kind.
Met een besluit van 29 juni 2023, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de kosten voor een baby-uitzet en babypakket behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten dienen in beginsel uit een inkomen op bijstandsniveau te worden voldaan, hetzij door reservering, hetzij door gespreide betaling achteraf. De kosten vloeien niet voort uit bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in het geval van appellante geen sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de kosten niet uit de algemene bijstand kunnen worden voldaan. Op grond van de artikelen 4.9, eerste lid, en artikel 4.10, eerste lid, van de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019 kan het college bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van een babypakket en van een baby-uitzet. Indien de kosten betrekking hebben op het eerste kind van de ouder gaat het college er in ieder geval van uit dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. De aanvraag van appellante heeft betrekking op haar derde kind. Vanaf het moment dat appellante wist dat zij zwanger was, waren de kosten voorzienbaar en had zij kunnen reserveren of kunnen voorzien in gespreide betaling achteraf. Appellante had hierover met haar bewindvoerder afspraken kunnen maken. Gelet op de nuancering van de rechtspraak dat onder bepaalde omstandigheden het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden wel een bijzondere omstandigheid kan zijn, oordeelt de rechtbank dat daarvan in het geval van appellante geen sprake is. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de afbetaling van schulden niet kon reserveren.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij in dat verband heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De grond die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd dat zij niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van de baby-uitzet en het babypakket is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.
Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank haar in de gelegenheid had moeten stellen om aannemelijk te maken dat zij niet kon sparen voor de kosten van de baby-uitzet en het babypakket in verband met de aflossing van haar schulden. Dit gelet op de nuancering in de uitspraak van de Raad van 21 november 2023 met betrekking tot het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang. De behandeling ter zitting bij de rechtbank heeft op 1 maart 2024 plaatsgevonden. Appellante had gelet op het tijdverloop sinds de uitspraak van de Raad van 21 november 2023 voldoende gelegenheid om aannemelijk te maken dat zij niet kon sparen voor de kosten wegens de aflossing van schulden. Appellante heeft haar standpunt dat zij niet kon reserveren in beroep niet (alsnog) onderbouwd met controleerbare en verifieerbare gegevens. Zij is ook niet ter zitting bij de rechtbank verschenen om haar standpunt toe te lichten. Appellante heeft in hoger beroep ook geen gegevens ingebracht ter onderbouwing van haar standpunt dat zij wegens de aflossing van schulden niet heeft kunnen reserveren, terwijl die mogelijkheid er in hoger beroep ruimschoots is geweest. Ook in hoger beroep is appellante, hoewel opgeroepen, niet ter zitting bij de Raad verschenen om haar standpunt toe te lichten.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en het college de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen.
5. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. Karman in tegenwoordigheid van M. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
(getekend) C. Karman
(getekend) M. van Eck
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet
Artikel 35, eerste lid:
Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019
Babypakket
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van een babypakket. Indien de kosten betrekking hebben op het eerste kind van de ouder gaat het college er in ieder geval van uit dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
2. Onder de kosten van een babypakket worden verstaan de aanschaf van:
a. luiers;
b. hemdjes;
c. een badje;
d. een kruik;
e. een matrasje;
f. een dekbedje;
g. lakentjes;
h. een babydraagzak; en
i. een zeiltje.
3. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de richtprijs als opgenomen in bijlage 3 bij deze beleidsregels.
4. De bijzondere bijstand voor een babypakket wordt in beginsel in de vorm van een lening verstrekt.
Babyuitzet
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de babyuitzet. Indien de kosten betrekking hebben op het eerste kind van de ouder gaat het college er in ieder geval van uit dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
2. Onder de kosten van een babyuitzet worden verstaan:
a. een box;
b. een kinderstoel;
c. een combi kinder- en wandelwagen;
d. een babyledikant; en
e. een commode.
3. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de richtprijs als opgenomen in bijlage 3 bij deze beleidsregels.
4. De bijzondere bijstand voor de babyuitzet wordt in beginsel in de vorm van een lening verstrekt.
Artikel 4.9 Babypakket (toelichting)
De kosten van een babypakket vallen onder algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan en moet daarom in beginsel bestreden worden uit het eigen inkomen. De reserveringsplicht is van toepassing op deze kosten. Onder een dekbedje mag ook worden verstaan een dekentje.