Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor het…
Centrale Raad van Beroep, 16 juni 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:786 · Centrale Raad van Beroep · 16 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-786
Zaakgegevens
Op 16 juni 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Datum publicatie
- 15 juni 2026
- Zaaknummer
- 26/304 PW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:786
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor het verzuim van het niet tijdig indienen van de hoger beroepsgronden.
Uitspraak
26/304 PW, 26/305 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
6 januari 2026, 24/4474 en 25/283
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas (college)
Datum uitspraak: 16 juni 2026
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
OVERWEGINGEN
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 12 maart 2026 is appellante in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 13 april 2026 is aan appellante nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellante erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Via e-mailbericht van 22 april 2026 heeft appellante de Raad verzocht om uitstel voor het indienen van de beroepsgronden.
Bij aangetekende brief van 29 april 2026 heeft de Raad dit uitstel verleend en appellante in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na datum van die brief de gronden van het hoger beroep in te dienen. Daarbij is appellante erop gewezen dat nader uitstel niet verleend zal worden en dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
De in de brief gestelde termijn eindigde aldus op 27 mei 2026. Appellante heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Op 5 juni 2026 zijn aanvullende gronden ontvangen. Dit is buiten de door de Raad gestelde termijn.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor het verzuim van het niet tijdig indienen van de hogerberoepsgronden. Het hoger beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.