Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het griffierecht is niet betaald. De belangenbehartiger heeft nagelaten om…
Centrale Raad van Beroep, 16 juni 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:787 · Centrale Raad van Beroep · 16 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-787
Zaakgegevens
Op 16 juni 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Datum publicatie
- 15 juni 2026
- Zaaknummer
- 26/362 TOZO
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:787
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het griffierecht is niet betaald. De belangenbehartiger heeft nagelaten om bij het ingediende hoger beroepschrift een machtiging over te leggen.
Uitspraak
26/362 TOZO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 januari 2026, 25/4531
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 16 juni 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.P. van der Roest (belangenbehartiger) hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
OVERWEGINGEN
In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 5 maart 2026 is de belangenbehartiger erop gewezen dat een griffierecht van
€ 147,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 7 april 2026 is de belangenbehartiger nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, er rekening mee moet worden houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald.
Verder kan op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Awb van een belangenbehartiger om een schriftelijke machtiging worden verzocht. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De belangenbehartiger heeft nagelaten om bij het ingediende hogerberoepschrift een machtiging over te leggen. Bij brief van 16 maart 2026 is aan de belangenbehartiger verzocht om binnen vier weken een schriftelijke machtiging in te zenden.
De belangenbehartiger heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 16 april 2026 is de belangenbehartiger nogmaals de gelegenheid geboden de verlangde machtiging in te zenden. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is hij erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat het (hoger) beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De belangenbehartiger heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor deze verzuimen.
Gelet op de omstandigheid dat, zonder verontschuldigbare reden, het griffierecht niet is betaald en de gevraagde machtiging niet is overgelegd, is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.