Socialezekerheidsrecht
Herziening en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Bijschrijvingen en stortingen…
Centrale Raad van Beroep, 16 juni 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:825 · Centrale Raad van Beroep · 16 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-825
Zaakgegevens
Op 16 juni 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Datum publicatie
- 30 juni 2026
- Zaaknummer
- 24/1044 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:825
Samenvatting
Herziening en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Bijschrijvingen en stortingen op bankrekening. Herhaling beroepsgronden. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van wat zij ook in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die beroepsgronden ingegaan. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals hiervoor weergegeven, waarop dat oordeel rust. Daaraan wordt nog toegevoegd dat appellante haar stellingen, ook na vragen van de Raad in hoger beroep, niet heeft toegelicht en onderbouwd. Ter zitting heeft appellante nog betoogd dat de ZW-uitkering die zij op haar bankrekening ontving bestemd was voor haar ex-echtgenoot, maar dat maakt niet dat zij daar niet over kon beschikken.
Uitspraak
24/1044 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 maart 2024, 23/5963 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht (college)
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: C.C.M. van ‘t Hol
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juni 2026. Voor appellante is verschenen mr. D. Schaap, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.V. Dieckmann.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Het college heeft – voor zover in hoger beroep nog van belang – de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 herzien en de kosten van bijstand teruggevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat in deze periode op de bankrekening van appellante een Ziektewet-uitkering is ontvangen en daarnaast verschillende contante bedragen zijn gestort en bedragen door derden zijn bijgeschreven op haar bankrekening en dat appellante hiervan geen melding heeft gemaakt bij het college. De Ziektewet-uitkering, stortingen en bijschrijvingen zijn inkomsten die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht.
2. De rechtbank heeft, voor zover van belang, het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven overwogen dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door van de stortingen en bijschrijvingen geen melding te maken bij het college. Appellante heeft niet onderbouwd dat zij de stortingen en bijschrijvingen niet vrijelijk kon aanwenden voor haar kosten van levensonderhoud. Het college heeft deze bedragen daarom terecht als inkomsten aangemerkt en op de bijstand in mindering gebracht. Het college heeft volgens de rechtbank ook de Ziektewet-uitkering terecht in mindering gebracht op de bijstand.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat een aantal bedragen over 2020 ten onrechte tot herziening van de bijstand heeft geleid. Enkele stortingen zien volgens haar op schadevergoedingen. Een bedrag van € 480,- heeft zij ontvangen van een loodgieter als terugbetaling omdat hij zijn werk niet goed gedaan had. Verder is sprake van kleine bedragen die zij van familie heeft ontvangen voor boodschappen die zij had voorgeschoten en later zijn terugbetaald.
4. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van wat zij ook in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die beroepsgronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals hiervoor weergegeven, waarop dat oordeel rust. Daaraan wordt nog toegevoegd dat appellante haar stellingen, ook na vragen van de Raad in hoger beroep, niet heeft toegelicht en onderbouwd. Ter zitting heeft appellante nog betoogd dat de Ziektewet-uitkering die zij op haar bankrekening ontving bestemd was voor haar ex-echtgenoot, maar dat maakt niet – wat daar verder ook van zei – dat zij daar niet over kon beschikken.
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
6. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten en krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol (getekend) A.M. Overbeeke