Socialezekerheidsrecht

Beroepen niet-ontvankelijk. Ontbreken procesbelang. Wat appellante heeft aangevoerd, namelijk dat het college…

Zaakgegevens

Op 14 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14 juli 2026
Datum publicatie
14 juli 2026
Zaaknummer
24/2567 PW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:919
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Beroepen niet-ontvankelijk. Ontbreken procesbelang. Wat appellante heeft aangevoerd, namelijk dat het college procedureel onzorgvuldig heeft gehandeld ondanks dat er inhoudelijk niets meer te bereiken valt, is een louter principieel belang. Dit is onvoldoende om procesbelang aan te nemen.

Uitspraak

Inhoudsopgave

24/2567 PW, 24/2680 PW, 24/2681 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 oktober 2024, 23/5490, 23/6646 en 23/6740 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rheden (college)

Datum uitspraak: 14 juli 2026

SAMENVATTING

Deze zaken gaan over een niet-ontvankelijkverklaring van beroepen van appellante. De rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante geen belang heeft bij een beoordeling van de besluiten waarvan appellante in beroep is gekomen. Appellante vindt dat zij wel een procesbelang heeft. Zij krijgt daarin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Namens het college heeft mr. A.C. Beijering-Beck, advocaat, een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 21 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Beijering-Beck en mr. W. de Korte.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 2010 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet, naar de norm voor een alleenstaande. Op 23 januari 2020 heeft appellante een gesprek gevoerd met haar werkconsulent over haar mogelijkheden tot re-integratie. Met een besluit van 12 februari 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 22 juli 2020, heeft het college een uitvoeringsplan opgesteld, waarin appellante onder meer de verplichting is opgelegd mee te werken aan een psychologisch consult (uitvoeringsplan 8). Met een uitspraak van 12 augustus 2021 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 juli 2020 ongegrond verklaard. Daartegen heeft appellante hoger beroep ingesteld.

1.2.

Vervolgens heeft het college met een besluit van 23 juni 2022 uitvoeringsplan 8 ingetrokken en met een besluit van 3 oktober 2022 een nieuw uitvoeringsplan opgesteld, waarin appellante onder meer de verplichting is opgelegd om online een zogenoemde ABCmeting in te vullen (uitvoeringsplan 9). Tegen deze besluiten heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.3.

Met een besluit van 20 juni 2023 heeft het college de onder 1.2 vermelde besluiten ingetrokken. Tegen dit besluit tot intrekking heeft appellante bezwaar gemaakt. Ook heeft het college met een besluit van eveneens 20 juni 2023 het onder 1.1 vermelde besluit van 22 juli 2020 herzien en een nieuw uitvoeringsplan opgesteld (uitvoeringsplan 10). Dit plan houdt in dat het appellante vrijstaat om haar re-integratie op eigen initiatief en naar eigen inzicht vorm te geven.

1.4.

Met een besluit van 3 augustus 2023 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de onder 1.2 vermelde besluiten niet-ontvankelijk verklaard en met een besluit van 2 oktober 2023 (bestreden besluit 2) heeft het college het onder 1.3 vermelde besluit van 20 juni 2023 niet-ontvankelijk verklaard.

1.5.

Met een uitspraak van 15 januari 2024 heeft de Raad het onder 1.1 vermelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het college met uitvoeringsplan 10 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Appellante heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van dat hoger beroep. Het verzoek van appellante om herziening van deze uitspraak heeft de Raad met zijn uitspraak van 19 november 2024 afgewezen.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, de beroepen tegen de bestreden besluiten niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het belang van appellante is om erkenning te krijgen dat de eerdere besluiten onrechtmatig zijn. Als die onrechtmatigheid vaststaat, kan zij de schade die zij heeft geleden door deze besluiten van het college voorleggen bij een schade-expert om te zien hoeveel schade zij exact geleden heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om procesbelang aan te nemen. Appellante kan met de beroepen niet meer bereiken wat zij wil bereiken. Appellante wil dat de besluiten waartegen haar bezwaren zijn gericht als onrechtmatig worden bestempeld. Die onrechtmatigheid is met de intrekking van deze besluiten in beginsel al gegeven. Appellante heeft ook niet duidelijk gemaakt, laat staan onderbouwd, wat de geleden schade is. Omdat enig concreet gegeven over mogelijke schade ontbreekt, wordt op voorhand onaannemelijk geacht dat appellante als gevolg van de bestreden besluiten schade heeft geleden.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het beroep tegen de bestreden besluiten niet-ontvankelijk heeft verklaard aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4.1.

Appellante voert aan dat zij procesbelang heeft. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat er inhoudelijk weliswaar niets meer voor haar te bereiken valt, maar dat dit niet wegneemt dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door afspraken niet na te komen. Het college schept verwachtingen die niet worden waargemaakt. Appellante wenst met het hoger beroep te bereiken dat de rechter oordeelt dat het college procedureel onzorgvuldig heeft gehandeld. Dit oordeel kan dan betekenis hebben voor de toekomst opdat het college dan wel zorgvuldig gaat handelen. De beroepsgrond slaagt om de navolgende reden niet.

4.2.

Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Van de bestuursrechter kan in een geval waarin de uitkomst van het beroep niet in concreto tot een voor de betrokkene gunstiger resultaat kan leiden, geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan voor mogelijke toekomstige gevallen. Wat appellante onder 4.1 heeft aangevoerd, is zo een louter principieel belang. Dit is onvoldoende om procesbelang aan te nemen.

Conclusie en gevolgen

4.3.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt bevestigd. Dit betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen tegen de bestreden besluiten in stand blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J. Bonnema

ECLI:NL:CRVB:2024:126. ECLI:NL:CRVB:2024:2237. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:482.