Socialezekerheidsrecht
Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 54,78%. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing…
ECLI:NL:CRVB:2026:926 · Centrale Raad van Beroep · 8 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-926
Zaakgegevens
Op 8 juli 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Datum publicatie
- 15 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/1377 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:926
Samenvatting
Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 54,78%. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Juiste FML. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht passend voor appellante.
Uitspraak
Inhoudsopgave
25/1377 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2025, 24/4921 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 19 januari 2024 terecht heeft vastgesteld op 54,78%. Appellante vindt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies daarom niet kan vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. van Andel, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 mei 2026. Voor appellante is mr. Van Andel verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerker studentenzaken voor 28,74 uur per week. Op 21 januari 2022 heeft zij zich ziekgemeld met spanningsklachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 januari 2024. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 48,31%. Het Uwv heeft bij besluit van 9 april 2024 aan appellante met ingang van 19 januari 2024 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
Bij besluit van 24 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 9 april 2024 gewijzigd, in die zin dat appellante vanaf 19 januari 2024 voor 54,78% arbeidsongeschikt is. Hieraan liggen een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een gewijzigde FML van 16 juli 2024 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft, met een verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2023, geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft toegelicht waarom in het geval van appellante van een spreekuurcontact tijdens de bezwaarfase is afgezien. Ook uit de standaard ‘Onderzoeksmethoden bij psychische stoornissen’ blijkt niet dat op de verzekeringsarts bezwaar en beroep de verplichting rust om appellante uit te nodigen voor het spreekuur indien zij in de primaire fase al op het spreekuur is gezien door een geregistreerd verzekeringsarts. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek overeenkomstig de genoemde onderzoeksmethoden heeft plaatsgevonden. Verder heeft de rechtbank overwogen dat geen twijfel bestaat over de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft daarom ook geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Nu de rechtbank niet twijfelt aan de juistheid van de FML van 16 juli 2024, wordt appellante niet gevolgd in haar standpunt dat de geduide functies haar belastbaarheid overschrijden. Niet is gebleken dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend voor appellante zijn. Daar waar sprake is van signaleringen heeft deze arbeidsdeskundige toegelicht waarom appellante de functies ondanks de signaleringen kan verrichten. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 19 januari 2024 54,78% bedraagt.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Appellante is in bezwaar niet gezien door een verzekeringsarts, ondanks haar uitdrukkelijke verzoek. Volgens de standaard ‘Onderzoeksmethoden bij psychische stoornissen’ van het Landelijk instituut sociale verzekeringen moet altijd een spreekuur plaatsvinden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Daarnaast zijn volgens appellante haar beperkingen onderschat. Zo is zij onder meer ten onrechte in staat geacht vier uur per dag en twintig uur per week te werken. Verder is de medische informatie weliswaar deels van na de datum in geding, maar dat komt door lange wachtlijsten en een zoektocht naar passende behandeling en diagnostiek. Tot slot zijn de geduide functies in medisch opzicht niet geschikt.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid van 54,78% terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De Raad voegt daaraan het volgende toe.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. De beroepsgrond dat er in bezwaar ten onrechte geen spreekuur heeft plaatsgevonden, slaagt niet. Appellante is in de primaire fase op het spreekuur gezien door een verzekeringsarts, die daarover uitgebreid heeft gerapporteerd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad geldt in dat geval geen algemene verplichting dat ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokkene onderzoekt op een spreekuur. Dat de standaard ‘Onderzoeksmethoden bij psychische stoornissen’ van het Landelijk instituut sociale verzekeringen voorschrijft dat de verzekeringsarts altijd een spreekuur houdt, tenzij sprake is van één van de genoemde uitzonderingssituaties, doet hier niet aan af. Deze standaard wordt gezien als hulpmiddel voor het zorgvuldig uitvoeren van het onderzoek. Een verzekeringsarts kan daarbij een zelfstandige afweging maken of een spreekuur noodzakelijk is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deugdelijk gemotiveerd waarom in dit geval van een spreekuur kon worden afgezien. Daarbij speelde een rol dat appellante in de primaire fase al was gezien door een ervaren en geregistreerd verzekeringsarts en dat in het dossier meer dan voldoende gegevens, ook van de behandelend sector, aanwezig waren. Het beeld was op basis hiervan voldoende duidelijk om een adequate heroverweging te kunnen doen, zodat het geen toegevoegde waarde had om appellante op een spreekuur te zien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan hierin worden gevolgd.
Medische beoordeling
De in hoger beroep overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel over de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie hierop inzichtelijk gemotiveerd dat in deze informatie de problematiek van appellante die al langere tijd speelt, naar voren komt. Dat er chronische en relatief ernstige problematiek speelt, is door niemand bestreden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij verwezen naar de eerder in bezwaar en beroep opgestelde rapporten, waarin op de psychische problematiek van appellante en de diagnosen ASS en dwangmatige persoonlijkheidsstoornis is ingegaan. Het voortgangsverslag van GGZ inGeest noemt deze diagnosen, waarin nog is vermeld dat het afgelopen jaar redelijk stabiel is verlopen en dat appellante behandelingen volgt bij meerdere instellingen en dat zij nog altijd is aangemeld bij een kliniek van Dimence, waar zij een intensievere behandeling voor autisme zal volgen. Dit stuk bevat daarmee geen nieuwe gegevens over de datum in geding. Het overzicht van SGGZ maakt inzichtelijk welke contacten er allemaal zijn geweest, maar bevat evenmin andere medische gegevens dan waarvan al werd uitgegaan. Dat appellante redelijk intensieve behandeling volgt, was al bekend. Er zijn daarmee geen andere medische feiten ingebracht dan wat in bezwaar al bekend was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan ook op dit punt worden gevolgd.
Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, bestaat geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellante waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 54,78% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.