Socialezekerheidsrecht
Terechte afwijzing aanvraag bruikleenauto.
Centrale Raad van Beroep, 11 december 2019
ECLI:NL:CRVB:2019:4052 · Centrale Raad van Beroep · 11 december 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/proces-verbaal/ecli-nl-crvb-2019-4052
Zaakgegevens
Op 11 december 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 december 2019
- Datum publicatie
- 13 december 2019
- Zaaknummer
- 18/1053 WMO15-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Proces-verbaalProces-verbaalHet schriftelijke verslag van de zitting, soms met de mondelinge uitspraak van de rechter erin.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:4052
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Terechte afwijzing aanvraag bruikleenauto.
Uitspraak
18 1053 WMO15-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2018, 17/3429 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 11 december 2019
Zitting hebben: N.R. Docter als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en H.O. Kerkmeester als leden
Griffier: C.I. Heijkoop
Ter zitting zijn verschenen: Namens appellante is mr. J.C.G.J. van der Linden, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Logan.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.
Bij het bestreden besluit van 20 april 2017 heeft het college de door appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 aangevraagde bruikleenauto afgewezen. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op het medisch advies van de GGD van 21 maart 2017. Volgens de GGD zijn er medisch gezien geen bezwaren tegen het gebruik van individueel rolstoeltaxivervoer met twee begeleiders. Volgens het college is dat individueel taxivervoer met twee begeleiders de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, omdat – kort gezegd – appellante gebruik kan maken van individueel rolstoeltaxivervoer met twee begeleiders.
3. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat het individueel rolstoeltaxivervoer met twee begeleiders voor haar niet passend is. Vooropstaat dat, naast de mogelijk vreemde chauffeur, twee voor appellante bekende begeleiders bij het vervoer met de individuele rolstoeltaxi aanwezig kunnen zijn. Deze vertrouwde begeleiders kunnen de noodzakelijke handelingen verrichten bij een epileptische aanval. Verder blijken uit het dossier geen zodanige medische bezwaren tegen wachttijden en vervoer met een vreemde chauffeur dat appellante geen gebruik zou kunnen maken van het individueel rolstoeltaxivervoer met twee begeleiders.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) C.I. Heijkoop (getekend) N.R. Docter