Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep · Proceskostenveroordeling · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 21 maart 2014

Zaakgegevens

Op 21 maart 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21 maart 2014
Datum publicatie
21 maart 2014
Zaaknummer
11-2587 WAJONG
Procedure
Proceskostenveroordeling
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2014:942
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenveroordeling.

Uitspraak

Datum uitspraak: 21 maart 2014

11/2587 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2011, 09/2718 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 16 oktober 2013 een tussenuitspraak gedaan, gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2013:2066.

Het Uwv heeft op 29 oktober 2013 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 21 november 2013 heeft mr. J.L. Wittensleger namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.

Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

De Raad stelt vast dat namens appellant het hoger beroep is ingetrokken omdat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar van 29 oktober 2013 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op

€ 487,- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, € 974,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, € 1.461,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en € 24,- aan reiskosten.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.946,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van

J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) J.A. Achterberg

TM