Bestuursrecht overig
Niet verschoonbare termijnoverschrijding in bezwaar.
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27 februari 2019
ECLI:NL:CBB:2019:87 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 27 februari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-cbb-2019-87
Zaakgegevens
Op 27 februari 2019 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 27 februari 2019
- Datum publicatie
- 8 maart 2019
- Zaaknummer
- 18/960
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2019:87
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Niet verschoonbare termijnoverschrijding in bezwaar.
Uitspraak
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 18/960
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2019 in de zaak tussen
Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. M.J.C. Mol)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Meijerink)
Procesverloop
Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het aantal fosfaatrechten voor appellante vastgesteld.
Bij besluit van 12 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2019. Partijen hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Bij het primaire besluit heeft verweerder het aantal fosfaatrechten voor appellante vastgesteld. Appellante heeft op 26 februari 2018 bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante kennelijk
niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
3. Partijen zijn het er over eens dat appellante te laat bezwaar heeft gemaakt; zij verschillen echter van mening of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.
4. Appellante heeft aangevoerd dat één van de vennoten, de zoon van de andere twee vennoten, geruime tijd aan ernstige psychische klachten leed, waarvoor hij in februari 2018 (opnieuw) is opgenomen. Door deze ingrijpende omstandigheden zijn zaken, waaronder het indienen van een bezwaarschrift, blijven liggen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar de verklaring van een sociaal werker.
5. Het enkele feit dat één van de vennoten van appellante aan psychische klachten leed en aan het einde van de bezwaartermijn is opgenomen geweest in een kliniek betekent niet dat één van de andere vennoten niet een - desnoods summier - bezwaarschrift hadden kunnen (laten) indienen. Dat geen van hen daartoe in staat zou zijn geweest is niet gebleken. De verklaring van de sociaal werker is onvoldoende om zulks aan te nemen.
6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten in de zin van artikel 6:11 van de van de Algemene wet bestuursrecht.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. L.N. Nijhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2019.
w.g. R.C. Stam w.g. L.N. Nijhuis