Bestuursrecht overig
Mondelinge uitspraak. Bezwaar te laat. Beroep ongegrond.
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20 maart 2023
ECLI:NL:CBB:2023:171 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 20 maart 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-cbb-2023-171
Zaakgegevens
Op 20 maart 2023 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 20 maart 2023
- Datum publicatie
- 31 maart 2023
- Zaaknummer
- AWB 22/1354
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2023:171
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Mondelinge uitspraak. Bezwaar te laat. Beroep ongegrond.
Uitspraak
proces-verbaal uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1354
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2023 in de zaak tussen
V.O.F. [naam] , te [woonplaats] ( [naam] ),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister)
(gemachtigden: mr. E. Slot en V.Velter).
Beslissing
Het College oordeelt dat de minister het bezwaar van [naam] terecht nietontvankelijk heeft verklaard omdat het bezwaarschrift buiten de termijn van zes weken is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het beroep tegen het besluit van 7 juni 2022 is daarom ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenvergoeding.
Omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, komt het College niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 18 oktober 2021, waarin de minister de aanvraag om subsidie van [naam] heeft afgewezen (het subsidiebesluit).
De motivering van dit oordeel is als volgt.
Overwegingen
De bezwaartermijn van zes weken is dwingend in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregeld. Een te laat ingediend bezwaarschrift is alleen ontvankelijk als sprake is van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar (verontschuldigbaar) maken (artikel 6:11 van de Awb).
In dit geval is het subsidiebesluit bekend gemaakt op 18 oktober 2021. De bezwaartermijn eindigde dus op 29 november 2021. De minister heeft het bezwaarschrift op 3 januari 2022 ontvangen. [naam] heeft het bezwaarschrift dus niet binnen de daarvoor gestelde termijn van zes weken ingediend.
Naar het oordeel van het College heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maken.
De minister heeft er terecht op gewezen dat het tot de verantwoordelijkheid van de aanvrager van subsidie behoort om de digitale omgeving goed in de gaten te houden, de administratie op orde te hebben en regelmatig te kijken of er besluiten zijn genomen. Dat de ondernemer digitaal niet zo vaardig is, is geen reden om een uitzondering te maken. [naam] heeft de subsidie ook digitaal aangevraagd en heeft bij die aanvraag ingestemd met verdere digitale communicatie. De minister heeft er verder terecht op gewezen dat [naam] (eerder) iemand anders had kunnen en moeten inschakelen als zij zelf moeite had met de administratieve (digitale) afhandeling van de aanvraag.
Dit betekent dat de minister het bezwaar van [naam] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is daarom ongegrond.
Omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, komt het College niet toe aan een inhoudelijk oordeel over het subsidiebesluit.
De uitspraak is gedaan en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Brugman,
in aanwezigheid van H.L.A. Kleinjans, griffier.
w.g. D. Brugman w.g. H.L.A. Kleinjans