Bestuursrecht overig
TVL Q1 2011, geen 30% omzetverlies, beroep ongegrond
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15 april 2024
ECLI:NL:CBB:2024:321 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 15 april 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-cbb-2024-321
Zaakgegevens
Op 15 april 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 april 2024
- Datum publicatie
- 26 april 2024
- Zaaknummer
- 22/377
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2024:321
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
TVL Q1 2011, geen 30% omzetverlies, beroep ongegrond
Uitspraak
proces-verbaal uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/377
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
15 april 2024
Rechter: mr. C.T. Aalbers
Griffier: mr. A.A. Dijk
Partijen
[naam 1] , te [plaats] , (de onderneming), waarvoor aanwezig is [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. M. Achalhi en mr. W. Dam
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De onderneming heeft subsidie aangevraagd op grond van de TVL voor Q1 2022. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat niet is voldaan aan het vereiste dat sprake is van ten minste 30% omzetverlies ten opzichte van de referentieperiode.
2. In artikel 2.6.3, derde lid, onder a, van de TVL staat dat als de onderneming na
31 december 2018 en voor 1 oktober 2019 voor de eerste maal in het handelsregister is ingeschreven, de onderneming kan kiezen uit twee referentieperiodes: Q1 2020 of het eerste gehele kwartaal volgend op de maand van inschrijving in het handelsregister. De onderneming is op 3 april 2019 ingeschreven in het handelsregister en kon daarom kiezen tussen Q3 2019 en Q1 2020. Bij haar aanvraag heeft zij gekozen voor Q1 2020 als referentieperiode.
3. De onderneming vindt echter dat een andere referentieperiode gehanteerd had moeten worden, namelijk Q3 2020. Zij is wel op 3 april 2019 ingeschreven in het handelsregister, maar het hotel is pas in november 2019 open gegaan. Dit betekent dat zij in Q3 2019 nog geen omzet had. Feitelijk had zij dus geen keuzemogelijkheid en moest zij wel kiezen voor Q1 2020 als referentieperiode. Omdat er in die periode al coronamaatregelen van kracht waren, is de omzet in die periode echter niet representatief.
4. Het College volgt het betoog van de onderneming niet. De datum waarop de onderneming met haar activiteiten is gestart is niet bepalend voor de referentieperiode. Voor de subsidieperiode Q1 2022 waar deze zaak over gaat, is de inschrijfdatum in het handelsregister bepalend. Het College heeft al eerder geoordeeld dat de minister, door uit te gaan van de inschrijfdatum, de TVL op de juiste wijze toepast.Dat betekent dat de minister de TVL in dit geval juist heeft toegepast door de onderneming te laten kiezen tussen Q3 2019 en Q1 2020 en vervolgens Q1 2020 als referentieperiode te hanteren.
5. De TVL biedt geen mogelijkheden om hierop een uitzondering te maken. Omdat de TVL een generieke regeling is en om te zorgen dat die regeling uitvoerbaar blijft, wijkt de minister alleen in zeer uitzonderlijke gevallen af van de TVL. Dat het hotel in dit geval pas na Q3 2019 open is gegaan en de omzet in Q1 2020 minder representatief was, maakt op zichzelf nog niet dat er sprake is van een zeer uitzonderlijk geval op grond waarvan de minister een uitzondering op de referentieperiode had moeten maken. Dat door vast te houden aan de (gekozen) referentieperiode niet wordt voldaan aan het vereiste omzetverlies van 30%, maakt niet dat de toepassing van de TVL op dit punt onevenredig is.
6. De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan de voorwaarde van ten minste 30% omzetverlies en heeft de aanvraag daarom terecht afgewezen. Dat betekent dat het beroep ongegrond is. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. C.T. Aalbers w.g. A.A. Dijk