Bestuursrecht overig
Geen mogelijkheid om af te wijken van de in de regeling opgenomen referentieperiodes. Beroep ongegrond.
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27 juni 2024
ECLI:NL:CBB:2024:493 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 27 juni 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-cbb-2024-493
Zaakgegevens
Op 27 juni 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 27 juni 2024
- Datum publicatie
- 17 juli 2024
- Zaaknummer
- 23/217
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2024:493
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Geen mogelijkheid om af te wijken van de in de regeling opgenomen referentieperiodes. Beroep ongegrond.
Uitspraak
proces-verbaal uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/217
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2024
Rechter: mr. B. Bastein
Griffier: mr. F. Willems
Partijen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] , (ondernemer), waarvoor aanwezig zijn de ondernemer en [naam 3]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. M. Achalhi en mr. P. van Veen
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De ondernemer is het er niet mee eens dat de minister de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil heeft vastgesteld. De minister heeft volgens de ondernemer er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de omzet in de referentieperiode (Q1 van 2019) niet representatief is, omdat zij pas in oktober 2018 kon starten met haar onderneming. De ondernemer wil daarom dat een andere referentieperiode wordt gebruikt.
2 Het College geeft de ondernemer geen gelijk. De TVL biedt geen mogelijkheid om af te wijken van de in de regeling genoemde referentieperiode(s). Ook is er geen hardheidsclausule opgenomen in de TVL. Om te zorgen dat de TVL uitvoerbaar blijft, maakt de minister alleen in zeer bijzondere gevallen een uitzondering. Daarvan is in het geval van de ondernemer geen sprake.
3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens in de referentieperiode, de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister was daarom bevoegd om de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil vast te stellen. Het College ziet in wat de onderneming heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de minister daarvan in dit geval had moeten afzien.
w.g. B. Bastein w.g. F. Willems