Bestuursrecht overig
Mondelinge uitspraak. TVL, beroep ongegrond, schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30 september 2024
ECLI:NL:CBB:2024:740 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 30 september 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-cbb-2024-740
Zaakgegevens
Op 30 september 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 september 2024
- Datum publicatie
- 17 oktober 2024
- Zaaknummer
- 23/723
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2024:740
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Mondelinge uitspraak. TVL, beroep ongegrond, schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.
Uitspraak
proces-verbaal uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/723
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
30 september 2024
Rechter: mr. R.W.L. Koopmans
Griffier: mr. A.A. Dijk
Partijen
[naam]
, te [plaats] (de onderneming), vertegenwoordigd door
mr. M. Vaas
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. M. Achalhi en
mr. T. Khidous
en
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)
Beslissing
Het College:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
veroordeelt de minister tot betaling aan de onderneming van een vergoeding voor immateriële schade van € 966,67;
-
veroordeelt de Staat tot betaling aan de onderneming van een vergoeding voor immateriële schade van € 83,33;
-
veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 218,75;
-
veroordeelt de Staat in de proceskosten van de onderneming voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 218,75.
Overwegingen
1 De onderneming refereert zich aan het oordeel van het College. Het beroep is ongegrond nu niet is gebleken van een onrechtmatig besluit.
Het College stelt vast dat op het moment van deze uitspraak de redelijke termijn met een jaar is overschreden. Dat betekent dat de onderneming recht heeft op € 1.000,- schadevergoeding. Van de overschrijding is een periode van elf maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase en een periode van één maand aan de beroepsfase. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht de minister veroordelen tot betaling van een bedrag van € 966,67 (11/12 x € 1.000,-) aan de onderneming en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 83,33 (1/12 x € 1.000,-) aan de onderneming.
De minister en de Staat worden ieder veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten die de onderneming heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van
€ 875,- en een wegingsfactor 0,5).
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk