Bestuursrecht overig
TVL1 en Q4 van 2021. De minister heeft de herzieningsverzoeken terecht afgewezen. Geen nieuw gebleken feiten…
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14 januari 2025
ECLI:NL:CBB:2025:55 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 14 januari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-cbb-2025-55
Zaakgegevens
Op 14 januari 2025 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 januari 2025
- Datum publicatie
- 29 januari 2025
- Zaaknummer
- 23/1375 en 23/1376
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2025:55
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
TVL1 en Q4 van 2021. De minister heeft de herzieningsverzoeken terecht afgewezen. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 Awb. De afwijzingen zijn ook niet evident onredelijk. Beroepen ongegrond.
Uitspraak
proces-verbaal uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 23/1375 en 23/1376
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2025
Rechter: mr. B. Bastein
Griffier: mr. I.E. van de Geest
Partijen
[naam] B.V., te [plaats] , (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. M. Achalhi
Beslissing
Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Overweging
De minister heeft de herzieningsverzoeken terecht afgewezen. De minister mocht bij de vaststellingsbesluiten uitgaan van de gegevens van de Belastingdienst. Dat de onderneming na die vaststellingsbesluiten suppletieaangiftes heeft ingediend, is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Ook is niet gebleken dat de afwijzingen van de herzieningsverzoeken evident onredelijk zijn. Daarbij is van belang dat de onderneming te laat bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststellingsbesluiten over de subsidies over de periode juni tot en met september van 2020 en het vierde kwartaal van 2021. De minister heeft deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en de onderneming heeft hiertegen geen beroep ingesteld. Verder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden. Dat de afwijzingen financiële gevolgen voor de onderneming hebben, maakt de afwijzingen ook niet evident onredelijk.
w.g. B. Bastein w.g. I.E. van de Geest