Bestuursrecht overig
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Verzet · Bestuursrecht overig
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14 april 2020
ECLI:NL:CBB:2020:261 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 14 april 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/verzet/ecli-nl-cbb-2020-261
Zaakgegevens
Op 14 april 2020 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 14 april 2020
- Datum publicatie
- 14 april 2020
- Zaaknummer
- 18/2171
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2020:261
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet niet-ontvankelijk
Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 18/2171
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2020 op het verzet van
Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante,
(gemachtigde: mr. drs. C.C. van Harten)
Procesverloop
Bij uitspraak van 20 augustus 2019 heeft het College, met toepassing van de artikelen 8:54 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, het verzoek van appellante om veroordeling van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in de kosten van het bezwaar en het beroep van appellante afgewezen.
Bij brief van 11 november 2019 heeft appellante het College verzocht de uitspraak van 20 augustus 2019 “te rectificeren omdat deze een kennelijke onjuistheid bevat”.
Bij griffiersbrief van 23 januari 2020 heeft het College appellante bericht dat de brief van 11 november 2019 wordt opgevat als een verzetschrift tegen de uitspraak van 20 augustus 2019.
Overwegingen
1. Het College stelt vast dat het verzetschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken is ingediend. Van omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest, is niet gebleken. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk.
2. Voor de goede orde voegt het College daaraan nog toe dat een (buitenwettelijk) verzoek om rectificatie of vervallenverklaring van een uitspraak dat is gegrond op de stelling dat de betrokken bestuursrechter tot een onjuist oordeel is gekomen, hoe dan ook niet voor inwilliging in aanmerking komt.
3. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van
D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken
op 14 april 2020.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer