Bestuursrecht overig
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Verzet · Bestuursrecht overig
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14 april 2020
ECLI:NL:CBB:2020:277 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 14 april 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/verzet/ecli-nl-cbb-2020-277
Zaakgegevens
Op 14 april 2020 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 14 april 2020
- Datum publicatie
- 14 april 2020
- Zaaknummer
- 19/872
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2020:277
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet ongegrond.
Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 19/872
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2020 op het verzet van
[naam] B.V. , te [plaats] ( [gemeente] ), appellante,
(gemachtigde in verzet: drs. M.P.E. Muijtjens)
Procesverloop
Drs. M.P.E. Muijtjens heeft het College bij brief van 13 juni 2019 bericht dat hij namens appellante beroep instelt tegen de beslissing op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat van 14 mei 2019.
Bij uitspraak van 10 december 2019 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft tegen de uitspraak van 19 december 2019 verzet gedaan.
Overwegingen
1. Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat drs. Muijtjens, na bij griffiersbrieven van 25 juni 2019, 15 augustus 2019 en 30 september 2019 in de gelegenheid te zijn gesteld alsnog een ondertekende machtiging over te leggen, dat niet heeft gedaan.
2. In verzet is naar voren gebracht dat, na ontvangst van de griffiersbrief van
15 augustus 2019, de machtiging bij brief van 3 september 2019 aan het College is gestuurd. Bij (de kopie van) de brief van 3 september 2019 is (een kopie van) een ondertekende op 30 augustus 2019 gedateerde machtiging gevoegd.
3. Het verzet is ongegrond. Bij het College is geen brief van 3 september 2019 van appellante ontvangen. In het verzetschrift is vermeld dat die brief bij gewone post is verzonden. Van die verzending is echter geen bewijs geleverd. Het risico van niet-aangetekende verzending ligt bij appellante. Het College vindt het verder opmerkelijk dat die machtiging niet alleen betrekking heeft op het instellen van beroep, maar ook op “het verzet”.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van
D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken
op 14 april 2020.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer