Bestuursrecht overig
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Verzet · Bestuursrecht overig
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25 mei 2021
ECLI:NL:CBB:2021:525 · College van Beroep voor het bedrijfsleven · 25 mei 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/college-van-beroep-voor-het-bedrijfsleven/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/verzet/ecli-nl-cbb-2021-525
Zaakgegevens
Op 25 mei 2021 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfslevenCollege van Beroep voor het bedrijfslevenDe hoogste bestuursrechter voor economisch bestuursrecht, zoals mededinging, telecom, energie en landbouw.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 25 mei 2021
- Datum publicatie
- 25 mei 2021
- Zaaknummer
- 19/1324
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2021:525
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Meststoffenwet
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 19/1324
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2021 op het verzet van
[naam] B.V., te [plaats] , appellante
(gemachtigde: ir. J.J.S. Reekers)
Procesverloop
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) van 18 juli 2019, waarbij het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk is verklaard.
Bij uitspraak van 28 april 2020 heeft het College met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen de uitspraak van 20 april 2020 verzet gedaan en heeft daarbij verzocht om te worden gehoord.
Het verzet is behandeld ter zitting van 12 mei 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
1. Het College heeft het beroep ongegrond verklaard omdat het bezwaarschrift niet binnen de bezwaartermijn van zes weken is ingediend en niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest.
2. Op grond van wat in verzet ter zitting is aangevoerd over de omstandigheden in de hier van belang zijnde periode ten aanzien van de (inmiddels overleden) “leidende” bestuurder van appellante ir. P.C. Reekers en de feitelijke positie van de andere bestuurder drs. S.A.L. Reekers is het College thans van oordeel dat het beroep niet kennelijk ongegrond is. Het verzet moet daarom gegrond worden verklaard.
3. Nu het verzet gegrond wordt verklaard, vervalt de uitspraak van 28 april 2020 en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van F.L. van Haeften, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021.
w.g. T.G.M. Simons w.g. F.L. van Haeften